HvJ EG 30-03-2000 (Ombudsman/Landsting), JAR 2000, 123


Gelijke behandeling. Loon (onregelmatigheidstoeslag en ATV).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 123.

Twee vroedvrouwen in een Zweeds ziekenhuis worden minder betaald dan een lid van de technische ziekenhuisstaf. Het basisloon van de technicus is hoger dan dat van de vroedvrouwen, die daarentegen in aanmerking komen voor een onregelmatigheidstoeslag en arbeidstijdverkorting (ATV) omdat zij in ploegendienst werken. De ombudsman gelijke behandeling start een procedure omdat het zou gaan om gelijkwaardige arbeid. De Zweedse rechter legt de zaak voor aan het Europees Hof met de vraag of de onregelmatigheidtoeslag en de tegenwaarde van de ATV deel uitmaken van de te vergelijken lonen. Het Hof is van oordeel dat de onregelmatigheidstoeslag een vorm is van beloning in de zin van art. 119 EG-Verdrag. Om te kunnen beoordelen of het beginsel van gelijke behandeling wordt nageleefd, dient dit beginsel op elk onderdeel van de aan mannelijke en vrouwelijke werknemers toegekende beloning van toepassing te zijn (zie het Barber-arrest, HvJ EG 17-05-1990, NJ 1992, 436, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1992, blz. 104). Omdat de toeslagen variëren van maand tot maand, is het onmogelijk een zinvolle vergelijking te maken. Dat betekent in dit geval dat het basisloon van de vroedvrouwen met dat van de ziekenhuistechnicus moet worden vergeleken. Het basisloon voor de vroedvrouwen is lager. Wanneer aanzienlijk meer vrouwen dan mannen als vroedvrouw werkzaam zijn, is er sprake van indirecte discriminatie op grond van geslacht, tenzij er een objectieve rechtvaardigheidsgrond is. De tegenwaarde van de ATV dient niet als loon te worden aangemerkt, omdat het hier gaat om een arbeidsvoorwaarde in de zin van Richtlijn 76/20/EEG en dient niet te worden betrokken in de vergelijking van de lonen. De ATV kan wel een rechtvaardigingsgrond zijn voor het verschil in beloning.

Terug naar overzicht