HvJ EG 30-11-2000 (Gewerkschaftsbund/Oostenrijk), JAR 2001, 97


Loon. Gelijke behandeling. Anciënniteit.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 97.

Op grond van de Oostenrijkse wetgeving worden bij het indelen in een salarisschaal van arbeidscontractanten in overheidsdienst, de voorafgaande tijdvakken van arbeid vervuld in Oostenrijkse overheidsdienst, waaronder het onderwijs, automatisch in hun geheel meegeteld als ervaringsjaren. Tijdvakken van arbeid die zijn vervuld in een andere lidstaat worden enkel in hun geheel in aanmerking genomen als het algemeen belang dit vereist en de bevoegde autoriteiten daarvoor toestemming geven. Die toestemming wordt alleen gegeven als de betrokken tijdvakken van bijzonder belang zijn voor het werk van de arbeidscontractant. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, worden de tijdvakken die zijn gewerkt in een andere lidstaat slechts voor de helft in aanmerking genomen. De vakbond in de overheidssector heeft de Oostenrijkse overheid verzocht om tijdvakken die als docent en assistent aangestelde arbeidscontractanten in andere EU-lidstaten hebben gewerkt, volledig mee te tellen bij hun indeling in de relevante salaristrap. Oostenrijk wil niet aan dit verzoek voldoen. Het Oberster Gerichtshof, een semi-gerechtelijke instantie, vraagt advies over deze kwestie aan het Europees Hof van Justitie. Het Europees Hof stelt eerst vast dat het Oberster Gerichtshof een rechterlijke instantie vormt in de zin van art. 177 EG-Verdrag en aldus ontvankelijk is in zijn verzoek. Ten aanzien van de anciënniteitregel overweegt het Europees Hof dat deze in strijd is met art. 39 EG-Verdrag, nu de Oostenrijkse overheid aldus strengere voorwaarden stelt aan in andere lidstaten vervulde tijdvakken van arbeid dan aan tijdvakken gewerkt in Oostenrijk zelf, met als gevolg dat migrerende werknemers die een deel van hun loopbaan in een andere lidstaat hebben vervuld, worden benadeeld. De argumenten die Oostenrijk aanvoert als rechtvaardigingsgrond voor het onderscheid, te weten dat zij de mobiliteit van personeel binnen overheidsdiensten wil bevorderen doch dat dit niet kan gelden voor overheidsdiensten elders omdat deze te zeer verschillen van de Oostenrijkse, en dat zij de trouw van personeel aan de (Oostenrijkse) overheid wil belonen, verwerpt het Europees Hof. Beroepsmobiliteit is ook zonder discriminatie van migrerende werknemers mogelijk en het argument van de trouw snijdt geen hout, nu een zeer grote groep werkgevers tot de overheid behoort en niet de trouw aan één werkgever wordt beloond. Tot slot merkt het Europees Hof nog op dat de tijdvakken zonder beperking moeten meetellen vanaf de datum van toetreding van Oostenrijk tot de EU

Verder lezen
Terug naar overzicht