Inbreng winstbewijzen in coöperatie leidt tot winst uit aanmerkelijk belang


Samenvatting

Belanghebbende was houder van alle aandelen in holding bv. Bij een statutenwijziging zijn de aandelen geconverteerd in één gewoon aandeel van f 1 en 40.454 niet-cumulatief preferente aandelen van f 1 nominaal, waarbij tevens 40.454 winstbewijzen op naam van belanghebbende zijn uitgegeven. In 1996 heeft belanghebbende het door hem gehouden gewone aandeel en alle niet-cumulatief preferente aandelen holding bv verkocht aan een nieuw opgerichte stichting. In 1997 is door belanghebbende, zijn echtgenote, hun drie kinderen en de nieuw opgerichte stichting een coöperatie opgericht. Belanghebbende heeft al zijn winstbewijzen in de coöperatie ingebracht. De stichting heeft de aandelen ingebracht.

De rechtbank wijst op HR 17 december 2004, nr. 39 561, NTFR 2004/1852, en HR 2 juni 2006, nr. 41 392, NTFR 2006/799 en oordeelt dat belanghebbende met de inbreng van de winstbewijzen in de coöperatie belastbare winst uit aanmerkelijk belang heeft behaald. Wat betreft de hoogte van de winst uit aanmerkelijk belang overweegt de rechtbank dat de inspecteur een deugdelijke berekening heeft overgelegd en dat belanghebbende deze niet tijdig en onvoldoende betwist. Het voorwaardelijke bewijsaanbod van belanghebbende daartoe ter zitting is in strijd met de goede procesorde. De winst uit aanmerkelijk belang moet worden verlaagd tot op het door de inspecteur berekende bedrag.

(Beroep gegrond.)

Verder lezen
Terug naar overzicht