JAR 2017/141, Kantonrechter Rechtbank Gelderland zp Arnhem 14-02-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1080, 5550086\HA VERZ 16-378\474\450 (met annotatie van mr. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken)

Inhoudsindicatie

Tegenverzoek tot toekennen lagere transitievergoeding moet worden ingediend binnen de vervaltermijn, Ambtshalve toetsing

Samenvatting

De werknemer is bij de werkgever in dienst geweest van 5 oktober 2005 tot en met 30 september 2016. De werkgever heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met toestemming van het UWV op bedrijfseconomische gronden. Daarbij heeft de werkgever geen transitievergoeding betaald vanwege zijn slechte financiële situatie. De werkgever heeft het UWV verzocht om een verklaring af te geven dat hij onder de Overbruggingsregeling transitievergoeding voor kleine werkgevers valt, maar het UWV heeft dit geweigerd. De werknemer heeft in rechte betaling van de transitievergoeding verzocht. De werkgever heeft in zijn verweer aangevoerd dat de Overbruggingsregeling moet worden toegepast. De kantonrechter heeft bij tussenbeschikking geconstateerd dat het verweer van de werkgever moet worden aangemerkt als een tegenverzoek in de zin van art. 7:673d lid 1 BW. Dit verzoek is echter niet binnen drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst ingediend. De kantonrechter heeft partijen de gelegenheid geboden zich hierover uit te laten (ECLI:NL:RBGEL:2017:1080).

Bij eindbeschikking overweegt de kantonrechter dat het verzoek van de werknemer toewijsbaar is. Met betrekking tot het verweer van de werkgever merkt de kantonrechter op dat in deze procedure niet kan worden beoordeeld of het UWV al dan niet terecht geen verklaring heeft afgegeven, omdat de verklaring van het UWV niet op rechtsgevolg is gericht. Het verweer van de werkgever kan worden gezien als een beroep op art. 7:673d lid 1 BW. Dit beroep is echter te laat gedaan, want niet binnen de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4 aanhef en sub b BW. De kantonrechter moet deze vervaltermijn ambtshalve toepassen. De werkgever wordt dus niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegenverzoek.

 

NB. In sommige gevallen wordt een verzoek of een verweer door de kantonrechter gelezen als een aanvullend verzoek, zodat, als het oorspronkelijke verzoek binnen de vervaltermijn is ingediend, ook het aanvullend verzoek nog op tijd is. Vgl. «JAR» 2017/128 onder 5.16. Maar zie anders: «JAR» 2016/88. In onderhavig geval kon dit niet, omdat het oorspronkelijke verzoek/verweer meer dan drie maanden na het einde van de arbeidsovereenkomst was ingediend.

Uitspraak

14 februari 2017 (tussenbeschikking)

1. De procedure

(...; red.)

2. De feiten

2.1. De werknemer is op 15 oktober 2005 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Botobe.

2.2. Het door de werknemer laatst verdiende salaris bedraagt € 1.836,07 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.

2.3. Op 18 juli 2016 heeft Botobe bij het UWV voor de werknemer ontslagvergunning aangevraagd en tegelijk daarmee bij het UWV een aanvraag voor een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding ingediend.

2.4. Op 26 augustus 2016 heeft het UWV ontslagvergunning verleend.

2.5. Bij brief van eveneens 26 augustus 2016 heeft het UWV een verklaring overbruggingsregeling afgegeven en verklaard dat Botobe niet aan alle voorwaarden voldoet.

2.6. Bij aangetekende brief d.d. 30 augustus 2016 heeft Botobe de arbeidsovereenkomst met de werknemer, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, opgezegd tegen 30 september 2016.

2.7. Botobe heeft aan de werknemer geen transitievergoeding betaald.

3. Het verzoek, het verweer en de beoordeling daarvan

3.1. Na wijziging van zijn verzoek ter zitting, verzoekt de werknemer de kantonrechter Botobe te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 7.106,= bruto (conform het door Botobe subsidiair vermelde bedrag), vermeerderd met de wettelijke rente en met veroordeling van Botobe in de proceskosten. De werknemer maakt aanspraak op de transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 sub a BW.

3.2. Botobe voert verweer. Als eerste (formele) verweer heeft Botobe verzocht de werknemer niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek omdat de werknemer haar naam verkeerd heeft aangeduid (Botebe B.V. in plaats van Botobe B.V.). Indien de werknemer wel ontvankelijk is in zijn verzoek, dan verzoekt Botobe primair de transitievergoeding op grond van de overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgever (artikel 7:673d lid 1 BW jo artikel 24 Ontslagregeling) vast te stellen op € 1.983,= bruto en te bepalen dat dit bedrag in termijnen kan worden betaald. Botobe stelt zich op het standpunt dat het UWV de overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgevers ten onrechte niet heeft toegepast. Subsidiair verzoekt Botobe de transitievergoeding vast te stellen op € 7.106,= bruto en te bepalen dat dit bedrag in termijnen kan worden betaald. Primair en subsidiair met veroordeling van de werknemer in de proceskosten.

3.3. Het niet-ontvankelijkheidsverweer van Botobe wordt verworpen. In het verzoekschrift is Botobe B.V. aangeduid als Botebe B.V. Een dergelijke verkeerde naamsaanduiding leidt niet tot niet-ontvankelijkheid. Het gaat hier om een kennelijke verschrijving van één letter in de naam van de verwerende partij, hetgeen niet betekent dat een andere vennootschap – Botebe B.V. in plaats van Botobe B.V. – door de werknemer in rechte zou zijn betrokken. Overigens lijkt Botobe B.V. daar zelf ook vanuit te zijn gegaan, gelet op het door haar ingediende verweerschrift en het feit dat zij ter zitting is verschenen.

3.4. Ten aanzien van de inhoudelijke beoordeling van het verzoek overweegt de kantonrechter als volgt. Bij aangetekende brief d.d. 30 augustus 2016 heeft Botobe de arbeidsovereenkomst met de werknemer, met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, opgezegd tegen 30 september 2016. De werknemer heeft (onder randnummer 2 van de dagvaarding) aangevoerd dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst hem eerst op 1 oktober heeft bereikt, hetgeen de opzegtermijn zou moeten oprekken tot 1 november 2016 en niet 1 oktober 2016. Daartegenover heeft Botobe – onweersproken – gesteld en met stukken onderbouwd dat de opzegging heeft plaatsgevonden bij gewone en bij aangetekende brief van 30 augustus 2016, dat de aangetekende brief door PostNL op 31 augustus 2016 aan de werknemer is aangeboden, daarna nogmaals op 1 september 2016 en door de werknemer op de locatie van PostNL is opgehaald op 3 september 2016. Dit betekent dat de opzeggingsbrief tijdig, voor 1 september 2016, aan de werknemer is aangeboden. De arbeidsovereenkomst is dan ook geëindigd per 1 oktober 2016.

3.5. Ingevolge artikel 8 van de Regeling UWV Ontslagprocedure geeft het UWV op verzoek van de werkgever, bedoeld in artikel 7:673d, lid 1 BW, die een verzoek om toestemming heeft ingediend, een oordeel over de toepasselijkheid van de voorwaarden, bedoeld in artikel 24 lid 2, sub a tot en met c, van de Ontslagregeling.

Op 26 augustus 2016 heeft het UWV Botobe ontslagvergunning voor de werknemer verleend en een verklaring overbruggingsregeling transitievergoeding afgegeven waarin is vermeld dat Botobe niet aan alle voorwaarden voldoet. Botobe stelt zich op het standpunt dat het UWV de overbruggingsregeling transitievergoeding ten onrechte niet heeft toegepast. Indien Botobe het niet eens is met de beslissing van het UWV had het op haar weg gelegen te dien aanzien een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen. Daarbij geldt overeenkomstig artikel 7:686a lid 4 sub b BW een vervaltermijn van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, i.e. 1 oktober 2016.

3.6. De kantonrechter leest het verweer (ingekomen ter griffie op 27 januari 2017) van Botobe aldus dat het verweer tevens inhoudt een zelfstandig tegenverzoek (primair) strekkende tot toekenning aan de werknemer van een transitievergoeding op grond van artikel 7:673d lid 1 BW. Ook ten aanzien van een zelfstandig tegenverzoek geldt overeenkomstig artikel 7:686a lid 4 sub b BW een vervaltermijn van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Deze vervaltermijn dient door de kantonrechter ambtshalve te worden toegepast.

3.7. De kantonrechter is voornemens hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 3.5 en 3.6 is overwogen, te betrekken in zijn oordeel. Een en ander is ter zitting niet aan de orde geweest. Alvorens nader te beslissen, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte hierover uit te laten, met dien verstande dat Botobe eerst een akte dient te nemen en daarna de werknemer.

3.8. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

De kantonrechter,

4.1. stelt Botobe in de gelegenheid uiterlijk 1 maart 2017 een akte te nemen (rechtsoverweging 3.5 tot en met 3.7);

4.2. bepaalt dat de werknemer in de gelegenheid wordt gesteld uiterlijk 2 weken daarna een akte te nemen;

4.3. houdt voor het overige iedere beslissing aan.

12 april 2017 (eindbeschikking)

1. De procedure

(...; red.)

2. De verdere beoordeling van het verzoek

2.1. Volhard wordt bij hetgeen is overwogen en beslist bij tussenbeschikking van 14 februari 2017.

2.2. In voornoemde tussenbeschikking is bepaald dat de kantonrechter voornemens is hetgeen in rechtsoverweging 3.5 en 3.6 van de tussenbeschikking is overwogen te betrekken in zijn oordeel en, alvorens nader te beslissen, partijen in de gelegenheid werden gesteld zich hierover bij akte uit te laten. Dit betekent dat partijen zich enkel kunnen uitlaten ten aanzien van hetgeen in rechtsoverweging 3.5 en 3.6 is overwogen. De in de akte van 1 maart 2017 van Botobe onder III en IV vermelde herformulering van het verweer en aanvulling op het verweerschrift gaan dat kader te buiten en dienen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten.

Het verzoek

2.3. Het verzoek van de werknemer strekt tot veroordeling van Botobe tot betaling van een transitievergoeding ex artikel 7:673 lid 1 BW ten bedrage van € 7.106,= bruto. Botobe heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Zoals door Botobe geformuleerd onder randnummer 3 van haar verweerschrift “komt haar verweer erop neer dat de transitievergoeding lager is dan het door de werknemer gevorderde en bovendien dat de overbruggingsregeling transitievergoeding ten onrechte niet is toegekend omdat 1) het UWV ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat mevrouw A slechts een zeer laag salaris aan de vennootschap heeft onttrokken en 2) de overbruggingsregeling transitievergoeding ten onrechte door het UWV per afzonderlijk jaar is bekeken en 3) het UWV heeft geoordeeld dat het eigen vermogen van Botobe positief is, zonder rekening te houden met een aflossingsverplichting die op de balans moet worden meegenomen. Toekennen van enig bedrag aan transitievergoeding is gezien de uitermate slechte positie van Botobe en de (persoonlijke) gevolgen bij toewijzing van enig bedrag, naar het oordeel van Botobe naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.”

2.4. Het betoog van Botobe dat het toekennen van enig bedrag aan transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, faalt.

De werknemer heeft in beginsel wettelijk aanspraak op een transitievergoeding (artikel 7:673 lid 1 BW) die in hoogte kan worden beperkt door toepassing van artikel 7:673d BW, mits de werkgever aan de aldaar gestelde voorwaarden voldoet. De beweerdelijke slechte financiële positie van en de persoonlijke gevolgen voor de werkgever zijn voor toekenning van de transitievergoeding niet relevant. Redelijkheid en billijkheid vormen in dit kader geen grond om de transitievergoeding niet toe te kennen.

2.5. Het verweer van Botobe dat de overbruggingsregeling transitievergoeding door het UWV ten onrechte niet is toegekend wordt gepasseerd. De vraag of de overbruggingsregeling terecht of ten onrechte door het UWV niet is toegekend ligt in deze procedure niet voor. In de toelichting op artikel 8 Regeling UWV Ontslagprocedure is opgenomen dat de verklaring van het UWV over een verzoek om toepassing van de overbruggingsregeling een “niet op een rechtsgevolg gerichte verklaring betreft”. Een beroep op of een verzoek om toepassing van de overbruggingsregeling staat los van de door het UWV afgegeven verklaring.

2.6. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek van de werknemer tot veroordeling van Botobe tot betaling van de transitievergoeding van € 7.106,= bruto zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen als verzocht.

2.7. Botobe zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Het tegenverzoek

2.8. Botobe heeft bij wege van verweer primair verzocht de transitievergoeding op grond van de overbruggingsregeling transitievergoeding (artikel 7:673d lid 1 BW jo artikel 24 Ontslagregeling) vast te stellen op € 1.983,= bruto, subsidiair op

€ 7.106,= bruto, beide met bepaling dat de bedragen in termijnen kunnen worden betaald.

Bij tussenbeschikking van 14 februari 2017 is bepaald (r.o. 3.6) dat de kantonrechter het verweer van Botobe aldus leest dat het verweer tevens inhoudt een zelfstandig tegenverzoek strekkende tot toekenning van een transitievergoeding als hiervoor weergegeven en dat ook ten aanzien van een zelfstandig tegenverzoek een vervaltermijn geldt van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd.

2.9. Het tegenverzoek is gebaseerd op artikel 7:673d lid 1 BW. Artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder b, BW bepaalt dat de bevoegdheid om een verzoekschrift bij de kantonrechter in te dienen vervalt drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, indien het een verzoek op grond van de artikelen 673, 673a, 673b, 673c en 673d betreft. De regeling ziet op verzoeken van zowel werknemers als werkgevers. In de Memorie van Toelichting (33818, p 120-121) is vermeld dat “voor verzoeken die verband houden met de transitievergoeding een termijn van drie maanden geldt.” In artikel 7:686a lid 4 onder b BW wordt expliciet verwezen naar artikel 673d; een verzoek op grond daarvan kan uitsluitend door de werkgever worden ingediend. Gelet op deze expliciete verwijzing door de wetgever moet worden aangenomen dat de vervaltermijn van drie maanden nadat de arbeidsovereenkomst is geëindigd ook geldt voor de werkgever die bij wijze van zelfstandig tegenverzoek een beroep wenst te doen op de overbruggingsregeling van artikel 7:673d BW.

2.10. Zoals bij tussenbeschikking van 14 februari 2017 is beslist dient de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onder b BW door de kantonrechter ambtshalve te worden toegepast.

De door Botobe bij akte van 1 maart 2017 ingenomen stellingen en standpunten vormen geen aanleiding daarop terug te komen. Op grond van de wetsgeschiedenis moet worden aangenomen dat het de bedoeling van de wetgever is dat voornoemde vervaltermijn ambtshalve wordt toegepast. Het betreft immers niet een termijn die het belang van één partij beoogt te beschermen, maar het algemeen belang dient doordat partijen “in het nieuwe systeem aanzienlijk sneller weten waar zij aan toe zijn” (Memorie van toelichting 33818, p. 116).

2.11. In de onderhavige zaak is de arbeidsovereenkomst geëindigd per 1 oktober 2016. Het verweerschrift tevens houdende zelfstandig tegenverzoek van Botobe had, gelet op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onder b BW, uiterlijk op 31 december 2016 door de rechtbank moeten zijn ontvangen. Het verweerschrift tevens houdende zelfstandig tegenverzoek is evenwel pas op 27 januari 2017 ontvangen, derhalve buiten de vervaltermijn. Botobe zal dan ook niet ontvankelijk worden verklaard in haar tegenverzoek.

2.12. Botobe zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Omdat het verweer voortvloeit uit de stellingen en standpunten van de werknemer in het verzoek, worden deze begroot op nihil.

3. De beslissing

De kantonrechter,

het verzoek

3.1. veroordeelt Botobe tot betaling aan de werknemer van een transitievergoeding ten bedrage van € 7.106,= bruto te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het verzoekschrift tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2. veroordeelt Bototbe in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de werknemer begroot op € 79,= griffierecht en € 900,= salaris gemachtigde;

3.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

het tegenverzoek

3.4. verklaart Botobe niet-ontvankelijk in haar verzoek;

3.5. veroordeelt Botobe in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de werknemer begroot op nihil.

Noot

In deze noot zal ik ingaan op een recente uitspraak van de Rechtbank Gelderland waarin de overbruggingsregeling transitievergoeding kleine werkgevers ex art. 7:673d BW (de Overbruggingsregeling) centraal staat. Het gros van de geschillen over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling zal denkbaar worden afgedaan door het UWV. Bij ministeriële regeling (de Regeling UWV ontslagprocedure) heeft het UWV immers de bevoegdheid gekregen een oordeel te vellen over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling, echter alleen indien het verzoek daartoe is ingediend tezamen met een ontslagaanvraag. Het oordeel van het UWV is geen beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, maar slechts een niet op rechtsgevolg gerichte verklaring (UWV Uitvoeringsregels, Ontslag om bedrijfseconomische redenen, p. 87). Daarom kan de (civiele) rechter het oordeel van het UWV vol toetsen (Hof 's-Hertogenbosch 2 maart 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017858, Rb. Noord-Nederland 5 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3099, Rb. Zeeland-West-Brabant, 14 juni 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:3517).

 

Hoe zat het ook alweer met de Overbruggingsregeling? 

Tot 1 januari 2020 zijn armlastige werkgevers met minder dan 25 werknemers in dienst een lagere transitievergoeding verschuldigd indien de reden voor het beëindigen of eindigen van de arbeidsovereenkomst is gelegen in een slechte financiële situatie van de werkgever. Hierbij geldt dat payrollwerknemers moeten worden meegeteld, en ook werknemers en payrollwerknemers werkzaam bij groepsmaatschappijen van de onderneming van de werkgever. Het financiële voordeel voor een werkgever die een beroep doet op de Overbruggingsregeling bestaat eruit dat dienstjaren voorafgaand aan 1 mei 2013 bij de berekening van de transitievergoeding buiten beschouwing mogen worden gelaten. Dit kan flink schelen in de  hoogte van de transitievergoeding, maar de voorwaarden die aan de financiële malheur van de werkgever worden gesteld zijn streng. Kort samengevat dient (i) het netto resultaat van de onderneming van de werkgever over een specifieke referteperiode van 3 jaar kleiner te zijn geweest dan nul, (ii) de waarde van het eigen vermogen van de onderneming van de werkgever negatief te zijn en (iii) binnen de onderneming van de werkgever de waarde van de vlottende activa kleiner te zijn dan de schulden met een resterende looptijd van ten hoogste een jaar.

 

In bijzondere omstandigheden hebben sommige rechters de vrijheid gezien rekkelijk met deze voorwaarden om te gaan, omdat een rigide toepassing tot een onbillijke uitkomst zou leiden, bijvoorbeeld indien niet aan de eisen is voldaan omdat de werkgever zich een minimum aan loon heeft uitgekeerd (en er daardoor een klein positief resultaat overbleef) of de enige reden voor een positief resultaat gelegen was in een eenmalige uitkering van schadepenningen door een verzekeraar (Rb. Limburg 25 februari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:11580 en Rb. Oost-Brabant 25 augustus 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4887).

 

Procesdynamiek Overbruggingsregeling 

In onderhavige uitspraak heeft de Rechtbank Gelderland beslist dat de werkgever te laat was met het indienen van het tegenverzoek tot betaling van de transitievergoeding gebaseerd op de Overbruggingsregeling. Bij mijn weten is onderhavige uitspraak de eerste waarin expliciet is bepaald dat de vervaltermijn van 3 maanden van art. 7:686a lid 4 sub b BW onverkort op deze situatie van toepassing is en de rechter ambtshalve tot niet-ontvankelijkheidsverklaring is overgegaan. De rechtbank is hierbij overigens niet over een nacht ijs gegaan, maar heeft partijen bij tussenbeschikking in staat gesteld zich over zijn voorlopig oordeel uit te laten (Rb. Gelderland 14 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1080). Het vervolg heeft de rechter echter niet van gedachten doen veranderen.

 

Ik denk dat de rechtbank strikt genomen gelijk heeft. Dat een beroep op de Overbruggingsregeling bij zelfstandig (tegen)verzoek moet worden gedaan lijkt te volgen uit art. 7:686a lid 4 sub b BW. Het voeren van verweer tegen een vordering van de werknemer tot betaling van de transitievergoeding is dan dus onvoldoende. In andere uitspraken zijn na de vervaltermijn ingediende verweerschriften en/of tegenverzoeken overigens wel gehonoreerd, zie bijv. Rechtbank Noord-Nederland 5 juli 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:3099 en Rechtbank Rotterdam 23 september 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7322.

 

Deze principiële uitspraak van de Rechtbank Gelderland leidt wel tot een verwarrende situatie, in die zin dat in bepaling 2.2.6 van het procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken (het Procesreglement) bepaald is dat een verweerschrift en/of tegenverzoek uiterlijk 10 dagen voor de dag van de mondelinge behandeling ingediend moet worden. Deze indieningsdatum zal doorgaans liggen na de vervaltermijn van 3 maanden. Hierbij is van belang dat de werkgever niet volstaat met een tegenverzoek op nader aan te voeren gronden, hetgeen op een niet-ontvankelijkheidsverklaring van de rechtbank komt te staan (bepaling 2.2.5 Procesreglement). Vanwege de samenhang tussen werkgevers- en werknemersverzoek is voor mij nog een vraagpunt welke gronden de werkgever beslist in het tegenverzoek moet opvoeren en welke argumenten hij mag achterhouden voor het verweer op het werknemersverzoek.

 

Belangrijker is dat de uitspraak van de Rechtbank Gelderland de deur wagenwijd openzet voor strategisch procederen aan de zijde van de werknemer. Normaal gesproken zal de werkgever wachten met het doen van een beroep op de Overbruggingsregeling totdat de werknemer een verzoek tot betaling van de 'reguliere' transitievergoeding heeft ingediend (ex art. 7:673 lid 2 BW). Als de werknemer dit echter pas op de laatste dag van de vervaltermijn van 3 maanden doet, moet de werkgever van (heel) goeden huize komen om dezelfde dag nog met een tegenverzoek inclusief inhoudelijke gronden te komen. Een werkgever die geen overeenstemming heeft bereikt met de werknemer over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling zal dus op zijn hoede moeten zijn.

 

Een nog vreemdere consequentie van deze uitspraak is dat zelfs met een positief oordeel van het UWV over de toepasselijkheid van de Overbruggingsregeling, de werknemer alsnog een verzoek ex art. 7:673 lid 2 BW bij de rechtbank kan indienen en dat de rechtbank – bij gebreke van een tijdig tegenverzoek – dit in principe moet honoreren. Het betreft hier uiteraard wel een situatie die op zijn minst grenst aan misbruik van recht, maar het risico lijkt mij niettemin aanwezig. En ook als met een werknemer is afgesproken dat de lagere transitievergoeding van toepassing is, valt niet uit te sluiten dat, indien de verschuldigdheid van de transitievergoeding uit de wet voortvloeit, een werknemer op het laatste moment een verzoek tot betaling van de volledige transitievergoeding indient. Gelet op het (driekwart) dwingendrechtelijke karakter van de transitievergoeding kan ook een dergelijk verzoek succesvol uitvallen voor de werknemer. Dit is mijns inziens alleen anders als de afspraken met de werknemer zijn vervat in een vaststellingsovereenkomst ex art. 7:900 BW. Gelet op de hiervoor geschetste onzekerheid over de rechterlijke wijze van toepassing van de Overbruggingsregeling, en de vragen die onderhavige uitspraak oproept ten aanzien van de procedurele kant, zal het op deze wijze 'wegcontracteren' van de reguliere transitievergoeding mijns inziens niet snel wringen met het karakter van een vaststellingsovereenkomst.

mr. C.F.J. van Tuyll van Serooskerken

Verder lezen
Terug naar overzicht