JB 2017/51, RvS 01-02-2017, ECLI:NL:RVS:2017:235, 201508928/1/A3

Inhoudsindicatie

Ligplaats in binnenhaven, Geen van rechtswege verleende beschikking, Dienstenrichtlijn en Dienstenwet niet van toepassing, Niet tijdige bekendmaking, Aanvraag, Aanvraag, -digitaal, Besluit, Niet tijdig beslissen

Samenvatting

Bij e-mail van 9 april 2014 aan de havenmeester van de gemeente Vlissingen heeft appellante een voorlopig verzoek voor een ligplaats in de binnenhavens van Vlissingen ingediend.

Bij brief van 1 oktober 2015 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking die betrekking heeft op een ligplaatsvergunning in de binnenhavens.

Op de website van de gemeente Vlissingen staat over het aanvragen van een ligplaats vermeld dat daarvoor contact dient te worden opgenomen met de havenmeester die telefonisch bereikbaar is op het op de website vermelde telefoonnummer. De gemachtigde van appellante heeft, na eerder telefonisch contact te hebben gehad met de havenmeester, per e-mail van 9 april 2014 aan de havenmeester kenbaar gemaakt namens appellante een voorlopig verzoek te willen indienen voor een ligplaats in de Binnenhaven van Vlissingen voor een schip voor de periode vanaf september 2014 tot en met april 2015. In de e-mail staat voorts dat de reden van de aanvraag is dat appellante wil onderzoeken of er een potentiële markt is voor het verzorgen van rondvaarten vanuit Vlissingen.

Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het college het verzoek van de gemachtigde per e-mail als aanvraag in behandeling heeft genomen. De Afdeling volgt de voorzieningenrechter daarom niet in zijn overweging dat het college niet in gebreke was een van rechtswege gegeven beschikking bekend te maken of tijdig een besluit te nemen, omdat er geen aanvraag was. Dat de gemachtigde in deze e-mail spreekt over een voorlopig verzoek, neemt niet weg dat het verzoek ertoe strekt een aanvraag in te dienen. Dat de elektronische weg om een aanvraag per e-mail in te dienen niet is geopend, staat er niet aan in de weg dat het college de aanvraag in behandeling neemt. Voor zover het college van mening is dat de aanvraag onvolledig was, omdat de gemachtigde in zijn e-mail geen specifieke locatie voor een ligplaats heeft genoemd, had het college de gemachtigde op de voet van art. 4:5 lid 1 Awb daartoe in de gelegenheid moeten stellen.

Appellante betoogt dat, voor zover het college had moeten uitgaan van een aanvraag die in behandeling is genomen, ingevolge art. 28 lid 1 Dienstenwet, in verbinding gelezen met paragraaf 4.1.3.3 van de Awb, van rechtswege een ligplaatsvergunning is verleend die het college binnen twee weken openbaar had moeten maken. Daartoe voert zij aan dat de activiteiten die zij vanuit de haven van Vlissingen tegen betaling wil organiseren, het verzorgen van rondvaarten en het faciliteren van partyverhuur en vistochten, een dienst zijn. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2015 in de gevoegde zaken C-340/14 en C-341/14, Trijber en Harmsen, ECLI: EU:C:2015:641(«JB» 2015/212 m.nt. A. Looijestijn-Clearie), en dit is ook bevestigd in de einduitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:160 («JB» 2016/56 m.nt. red.). De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het, anders dan in deze zaak, in de zaak waarin het Hof van Justitie op 1 oktober 2015 arrest heeft gewezen ging om een exploitatievergunning voor het verzorgen van rondvaarten en derhalve om een vergunningstelsel met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit. In die zaak was sprake van voorschriften die die dienstenactiviteit specifiek regelden. In de voorliggende zaak is dit niet het geval. Een ligplaatsvergunning is niet noodzakelijk voor de toegang tot en de uitoefening van de dienstenactiviteiten die appellante vanuit de haven van Vlissingen wil organiseren. Een ligplaats is voorts feitelijk niet nodig voor het verrichten van deze dienstenactiviteit om passagiers te laten in- en uitstappen. Derhalve is evenmin sprake van een voorschrift dat specifiek van invloed is op de dienstenactiviteit. Bovendien is een ligplaatsvergunning op grond van art. 2.2 van de Havenverordening vereist in verband met de orde in de havens. Nu de ligplaatsvergunning niet onder de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt, valt die daarmee ook niet onder die van de Dienstenwet. Omdat art. 28 lid 1 Dienstenwet niet van toepassing is, is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb evenmin van toepassing en is geen ligplaatsvergunning van rechtswege verleend die het college binnen twee weken bekend had moeten maken.

Vaststaat dat de termijn voor het nemen van een besluit ten tijde van het beroep was verstreken. Appellante heeft het college bij brief van 15 september 2015 in gebreke gesteld. appellante kon een beroepschrift indienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat aan de voorwaarden van art. 6:12 lid 2 Awb is voldaan. Nu het college niet tijdig een besluit heeft genomen is het beroep daartegen gegrond.

Nu het verzoek op 9 april 2014 is ingediend en appellante het college bij brief van 15 september 2015, op dezelfde dag per fax verzonden, in gebreke heeft gesteld is ingevolge art. 4:17 lid 3 Awb 30 september 2015 de eerste dag waarover het college aan appellante een dwangsom is verschuldigd. Nu het college 42 dagen in gebreke is geweest is het college ingevolge art. 8:55c, in verbinding gelezen met art. 4:17 lid 2 Awb, aan appellante een dwangsom verschuldigd van € 1.260.

Uitspraak

Procesverloop

Bij e-mail van 9 april 2014 aan de havenmeester van de gemeente Vlissingen heeft [appellante] een voorlopig verzoek voor een ligplaats in de binnenhavens van Vlissingen ingediend.

Bij brief van 1 oktober 2015 heeft [appellante] beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende beschikking die betrekking heeft op een ligplaatsvergunning in de binnenhavens.

Bij uitspraak van 27 oktober 2015 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2016, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. T.N. Sanders, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door E. van der Mark, zijn verschenen.

Overwegingen

Wet- en regelgeving

1. Voor de tekst van de relevante wet- en regelgeving wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak (niet opgenomen; red.).

Inleiding

2. [appellante] is een bedrijf dat zich onder meer toelegt op het organiseren van rondvaarten in Vlissingen. [appellante] heeft een ligplaats in Middelburg en wil een ligplaats in de binnenhavens van Vlissingen om van daaruit rondvaarten te organiseren en partyverhuur en vistochten te faciliteren. Bij e-mail van 9 april 2014 aan de havenmeester van Vlissingen heeft [gemachtigde] namens [appellante] een voorlopig verzoek ingediend voor een ligplaats in de binnenhavens voor de periode september 2014 tot en met april 2015. Bij brief van 15 september 2015 heeft [appellante] het college bericht dat de beslistermijn voor de aanvraag van 9 april 2014 ruimschoots is verstreken en het college verzocht de van rechtswege verleende beschikking met betrekking tot een ligplaats in de binnenhavens bekend te maken. Tevens heeft [appellante] het college in gebreke gesteld.

3. De voorzieningenrechter heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het college het verzoek van [appellante] per e-mail van 9 april 2014 terecht heeft opgevat als een verzoek om, vooruitlopend op een aanvraag, te onderzoeken of een kansrijke aanvraag om een ligplaatsvergunning kan worden ingediend. Volgens de voorzieningenrechter is het verzoek van 9 april 2014 naar inhoud en strekking onvoldoende concreet om als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden aangemerkt. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat in de e-mail staat dat [appellante] een voorlopig verzoek wil indienen en dat [appellante] in de e-mail geen locatie voor een ligplaats in de binnenhavens heeft vermeld. Ook stonden het overleg en het e-mailverkeer tussen het college en [appellante] in het teken van nader onderzoek. Omdat [appellante] geen aanvraag heeft ingediend was het college niet in gebreke een van rechtswege verleende beschikking bekend te maken of tijdig besluit te nemen. Dit betekent dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, voor het kunnen indienen van een beroepschrift. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het beroep niet-ontvankelijk.

Hoger beroep [appellante]

4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de e-mail van 9 april 2014 geen aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, omdat die naar inhoud en strekking onvoldoende concreet is. Daartoe wijst zij erop dat in de e-mail is vermeld voor welke periode zij een ligplaats wil en dat die ligplaats is bestemd voor haar schip ‘Stad Veere II’. Daarnaast is in de e-mail vermeld dat zij een ligplaats wil in de binnenhavens, zodat zij wel een concrete locatie kenbaar heeft gemaakt. Zij heeft geen exacter locatie kunnen aanwijzen, omdat zij niet op de hoogte was van locaties die vrij zijn. Ook betoogt [appellante] dat de aanvraag om een ligplaats op de door het college voorgeschreven wijze is ingediend. In overeenstemming met de informatie op de gemeentelijke website heeft [appellante] eerst telefonisch contact opgenomen met de havenmeester. Daarna heeft zij op expliciet verzoek van de havenmeester de aanvraag per e-mail ingediend. Het college was ervan op de hoogte dat het verzoek per e-mail als aanvraag is bedoeld en het college heeft dat verzoek inhoudelijk als aanvraag in behandeling genomen. Dit volgt volgens [appellante] uit het feit dat het college een concept-besluit heeft opgesteld voor een ligplaatsvergunning voor een locatie aan de Piet Heinkade.

Voor zover het college had moeten uitgaan van een aanvraag die in behandeling is genomen, betoogt [appellante] dat ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet, in verbinding gelezen met paragraaf 4.1.3.3 van de Awb, van rechtswege een ligplaatsvergunning is verleend die het college binnen twee weken openbaar had moeten maken. Daartoe voert zij aan dat de activiteiten die zij vanuit de haven van Vlissingen tegen betaling wil organiseren, het verzorgen van rondvaarten en het faciliteren van partyverhuur en vistochten, een dienst zijn. Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2015 in de gevoegde zaken C-340/14 en C-341/14, Trijber en Harmsen, ECLI: EU:C:2015:641, en dit is ook bevestigd in de einduitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:160. Deze dienst valt niet onder het begrip ‘diensten op het gebied van vervoer’ als bedoeld in artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, van de richtlijn nr. 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende de diensten op de interne markt (PB 2006. L 376/36; hierna de Dienstenrichtlijn) waarop deze richtlijn niet van toepassing is. Omdat een ligplaatsvergunning nodig is om haar dienst te verrichten, is de Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet daarop van toepassing. Subsidiair betoogt [appellante] dat de voorzieningenrechter het beroep had moeten opvatten als een beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar aanvraag. In dit verband verzoekt zij de Afdeling om de door het college verbeurde dwangsommen vast te stellen.

4.1. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellante] geen aanvraag per e-mail kan indienen. De elektronische weg om een aanvraag per e-mail in te dienen is niet bij wettelijk voorschrift voorzien. Het college heeft deze weg ook niet geopend. Volgens het college staat op de gemeentelijke website alleen dat voor het aanvragen van een ligplaats telefonisch contact dient te worden opgenomen met de havenmeester. Daarnaast heeft de havenmeester [appellante] niet medegedeeld om een aanvraag per e-mail in te dienen. Voordat een aanvraag wordt ingediend moet namelijk eerst bekend zijn of er een ligplaats vrij is en zo ja, welke ligplaats het meest aansluit bij de behoeften van de aanvrager.

Voorts stelt het college dat het verzoek per e-mail van 9 april 2014 niet als een aanvraag om een ligplaats kan worden aangemerkt. De e-mail is niet gericht aan het college, maar aan de havenmeester die ter zake niet bevoegd is om een besluit te nemen. Het college heeft het verzoek opgevat als een verzoek om gezamenlijk alternatieve mogelijkheden voor [appellante] te onderzoeken, omdat er, zoals de havenmeester aan [appellante] heeft medegedeeld, geen ligplaats vrij was. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat [appellante] in de e-mail te kennen heeft gegeven een voorlopig verzoek te willen indienen en dat zij, zonder een specifieke locatie te noemen, een ligplaats wil in de binnenhavens. De binnenhavens vormen een omvangrijk gebied. Uit het feit dat een concept-besluit is opgesteld volgt volgens het college niet dat een aanvraag inhoudelijk in behandeling is genomen. Het concept-besluit is opgesteld in het kader van het onderzoek naar alternatieve mogelijkheden, omdat Damen Schelde Naval Shipbuilding B.V. uitsluitsel wilde over de voorschriften die aan een ligplaatsvergunning worden verbonden, alvorens zij toestemming verleent voor een ligplaats aan de Piet Heinkade, aldus het college.

Voorts is het college van mening dat er aan [appellante] geen ligplaatsvergunning van rechtswege is verleend. In paragraaf 2.2 van de Havenverordening Vlissingen 2009 is een regeling opgenomen die de orde in de havens dient te waarborgen. Deze regeling, die voor zowel particulieren als dienstverrichters geldt, bevat geen voorschriften die een dienst specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn. Bovendien is een ligplaats feitelijk niet nodig om passagiers te laten in en -uitstappen, omdat daarvoor gebruik kan worden gemaakt van een bestaande opstapplaats in de binnenhavens. Volgens het college betekent dit dat de Dienstenwet niet van toepassing is.

4.2. Op de website van de gemeente Vlissingen staat over het aanvragen van een ligplaats vermeld dat daarvoor contact dient te worden opgenomen met de havenmeester die telefonisch bereikbaar is op het op de website vermelde telefoonnummer. [gemachtigde] heeft, na eerder telefonisch contact te hebben gehad met de havenmeester, per e-mail van 9 april 2014 aan de havenmeester kenbaar gemaakt een voorlopig verzoek te willen indienen voor een ligplaats in de Binnenhaven van Vlissingen voor het schip Stad Veere II voor de periode vanaf september 2014 tot en met april 2015. In de e-mail staat voorts dat de reden van de aanvraag is dat hij wil onderzoeken of er een potentiële markt is voor het verzorgen van rondvaarten vanuit Vlissingen.

In de e-mail van de havenmeester aan [gemachtigde] van 30 januari 2015 staat: ‘De vergunning komt er aan, en we zijn in afwachting van de aanleg door Delta van de stroomkast, die aanleg hebben we met spoed aangevraagd.’

In de e-mail van [projectleider] van de Afdeling Strategie, Beleid en Projecten, aan [gemachtigde] van 4 februari 2015 staat: ‘Uw vergunning is op een haar na klaar en gereed voor besluitvorming. [...]’

Het dossier bevat een concept-besluit, gericht aan [appellante], voor een ligplaatsvergunning. Deze heeft betrekking op een ligplaats aan de Piet Heinkade voor het passagiersschip Stad Veere II voor de periode vanaf februari 2015 tot en met april 2015 en de periode vanaf oktober 2015 tot en met april 2016. Uit het concept-besluit volgt dat dit is opgesteld naar aanleiding van het verzoek van [appellante] uit 2014.

Uit het voorgaande volgt dat het college het verzoek van [gemachtigde] per e-mail van 9 april 2014 als aanvraag in behandeling heeft genomen. De Afdeling volgt de voorzieningenrechter daarom niet in zijn overweging dat het college niet in gebreke was een van rechtswege gegeven beschikking bekend te maken of tijdig een besluit te nemen, omdat er geen aanvraag was. Dat [gemachtigde] in deze e-mail spreekt over een voorlopig verzoek, neemt niet weg dat het verzoek ertoe strekt een aanvraag in te dienen. Dat de elektronische weg om een aanvraag per e-mail in te dienen niet is geopend, staat er niet aan in de weg dat het college de aanvraag in behandeling neemt. Voor zover het college van mening is dat de aanvraag onvolledig was, omdat [gemachtigde] in zijn e-mail geen specifieke locatie voor een ligplaats heeft genoemd, had het college [gemachtigde] op de voet van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb daartoe in de gelegenheid moeten stellen. Het betoog slaagt.

4.3. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling beoordelen of een beschikking van rechtswege is gegeven die bekend had moeten worden gemaakt. Voor zover dat niet het geval is, zal de Afdeling het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit beoordelen.

4.4. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 1 oktober 2015 en de einduitspraak van de Afdeling van 27 januari 2016, betoogt [appellante] terecht dat de Dienstenrichtlijn van toepassing is op de activiteiten die zij vanuit de haven van Vlissingen als dienst wil organiseren, te weten het verzorgen van rondvaarten en het faciliteren van partyverhuur en vistochten.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4596, geldt dat ingevolge overweging 9 van de Dienstenrichtlijn deze richtlijn alleen van toepassing is op eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit. Deze richtlijn is derhalve niet van toepassing op – onder meer – voorschriften inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw en evenmin op administratieve sancties wegens het niet naleven van dergelijke voorschriften die de dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, maar die de dienstverrichters bij de uitvoering van hun economische activiteit in acht dienen te nemen op dezelfde wijze als natuurlijke personen die als particulier handelen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Dienstenwet (Kamerstukken II, 2007/08, 31 579, nr. 3, blz. 13) volgt voorts dat overweging 9 van de Dienstenrichtlijn in essentie stelt dat dergelijke algemene voorschriften die zowel gelden voor particulieren als ondernemers en die een dienstenactiviteit niet specifiek regelen of daarop specifiek van invloed zijn, buiten het bereik van de dienstenrichtlijn vallen.

Anders dan in de voorliggende zaak ging het in de zaak waarin het Hof van Justitie op 1 oktober 2015 arrest heeft gewezen om een exploitatievergunning voor het verzorgen van rondvaarten en derhalve om een vergunningstelsel met betrekking tot de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit. In die zaak was sprake van voorschriften die die dienstenactiviteit specifiek regelden. In de voorliggende zaak is dit niet het geval. Met het college is de Afdeling voorts van oordeel dat een ligplaatsvergunning niet noodzakelijk is voor de toegang tot en de uitoefening van de dienstenactiviteiten die [appellante] vanuit de haven van Vlissingen wil organiseren. Een ligplaats is voorts feitelijk niet nodig voor het verrichten van deze dienstenactiviteit om passagiers te laten in- en uitstappen. Derhalve is evenmin sprake van een voorschrift dat specifiek van invloed is op de dienstenactiviteit. Bovendien is een ligplaatsvergunning op grond van artikel 2.2 van de Havenverordening vereist in verband met de orde in de havens. Nu de ligplaatsvergunning niet onder de werkingssfeer van de Dienstenrichtlijn valt, valt die daarmee ook niet onder die van de Dienstenwet. Omdat artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet niet van toepassing is, is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb evenmin van toepassing en is geen ligplaatsvergunning van rechtswege verleend die het college binnen twee weken bekend had moeten maken. Het betoog faalt.

4.5. Vaststaat dat de termijn voor het nemen van een besluit ten tijde van het beroep was verstreken. [appellante] heeft het college bij brief van 15 september 2015 in gebreke gesteld. [appellante] kon een beroepschrift indienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is voldaan. Nu het college niet tijdig een besluit heeft genomen is het beroep daartegen gegrond.

Nu het verzoek op 9 april 2014 is ingediend en [appellante] het college bij brief van 15 september 2015, op dezelfde dag per fax verzonden, in gebreke heeft gesteld is ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb 30 september 2015 de eerste dag waarover het college aan [appellante] een dwangsom is verschuldigd. Nu het college 42 dagen in gebreke is geweest is het college ingevolge artikel 8:55c, in verbinding gelezen met artikel 4:17, tweede lid, van de Awb, aan [appellante] een dwangsom verschuldigd van € 1.260. Het betoog slaagt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellante] tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaren. Het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

De Afdeling zal de door het college wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek verbeurde dwangsom vaststellen.

Omdat het college nog geen besluit heeft genomen zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb bepalen dat het binnen acht weken alsnog een besluit bekendmaakt. Voor het stellen van deze termijn neemt de Afdeling in aanmerking dat het college in de veronderstelling was dat er geen aanvraag in behandeling was genomen en dat het belang van een zorgvuldige besluitvorming daarbij is gediend. De Afdeling bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat het college een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft de uitspraak na te leven en zal daaraan een maximum verbinden.

6. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 oktober 2015 in zaken nrs. 15/6555 en 15/6556, voor zover hierbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit gegrond;

IV. vernietigt het onder III. bedoelde besluit;

V. stelt de door het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen verbeurde dwangsom vast op € 1.260 (zegge: twaalfhonderdzestig euro);

VI. draagt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een besluit te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven manier bekend te maken;

VII. bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen aan [appellante] een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, waarbij de hoogte van de dwangsom € 100 (zegge: honderd euro) bedraagt, met een maximum van € 15.000 (zegge: vijftienduizend euro);

VIII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 828 (zegge: achthonderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Verder lezen
Terug naar overzicht