JIN 2017/95, Gerechtshof Amsterdam 28-02-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:632, 200.195.543/01 , 200.195.543/02 (met annotatie van M.A.J. Beers)

Inhoudsindicatie

Uitleg convenant, Niet-wijzigingsbeding, Partneralimentatie, Regresvordering

Samenvatting

Man wenst wijziging van partneralimentatie. In het convenant is een niet-wijzigingsbeding opgenomen, met een aanvulling wanneer dit beding niet zou gelden. Is er sprake van een dergelijke situatie?

Partijen hebben na beëindiging van hun relatie afspraken gemaakt over partneralimentatie en deze afspraken opgenomen in een convenant. In het convenant werd een niet-wijzigingsbeding opgenomen, met daarop een aanvulling dat het niet-wijzigingsbeding niet zou gelden in de situatie waarin de man buiten zijn toedoen niet meer voldoende draagkracht zou hebben voor de overeengekomen alimentatie. Hoe moet deze bepaling nu uitgelegd worden? Het hof hecht veel waarde aan de tekstuele uitleg, in combinatie met hetgeen partijen ter toelichting hebben gegeven over de bedoeling van het beding. Het hof acht de door partijen overeengekomen uitzonderingssituatie niet aan de orde. Evenmin acht het hof de gewijzigde omstandigheden zo ingrijpend dat de man niet langer aan het niet-wijzigingsbeding zou mogen worden gehouden.

Uitspraak

Hof:

1 Het geding in hoger beroep

1.1. Partijen worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.

1.2. De vrouw is op 18 juli 2016 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 20 april 2016 van de rechtbank Noord-Holland (Haarlem), met kenmerk C/15/233612/FA RK 15-6299. Zij heeft daarnaast een verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingediend.

1.3. De man heeft op 17 oktober 2016 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.4. De vrouw heeft op 6 december 2016 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep van de man ingediend. Het hof heeft partijen bij brief van 13 december 2016 bericht dat het in dit verweerschrift sub 3 tot en met 8 gestelde buiten beschouwing wordt gelaten.

1.5. De man heeft op 20 oktober 2016 en 6 januari 2017 nadere stukken ingediend.

1.6. De vrouw heeft op 10 november 2016, 5 januari 2017 en 6 januari 2017 nadere stukken ingediend. De stukken van 10 november 2016 zijn buiten beschouwing gelaten.

1.7. De zaken zijn op 18 januari 2017 tegelijkertijd ter terechtzitting behandeld.

1.8. Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten in beide zaken

2.1. Partijen hebben een relatie gehad tot 2010. Uit hun relatie zijn geboren [A] (hierna: [kind a] ) [in] 2000 en [B] (hierna: [kind b] ) [in] 2003 (hierna gezamenlijk: de kinderen). De man heeft de kinderen erkend.

2.2. Partijen hebben de gevolgen van de beëindiging van hun samenleving geregeld in een convenant dat door de man en de vrouw op respectievelijk 29 september 2010 en 12 oktober 2010 is ondertekend (hierna: het convenant). Daarin is onder meer bepaald:

“3.8 Partijen verstaan dat zij behalve de in dit artikel genoemde goederen geen vermogensbestanddelen gemeenschappelijk hebben. Zij verklaren hun gemeenschappelijke vermogensbestanddelen gelijk en overeenkomstig het bepaalde in de wet en in het samenlevingscontract te hebben verdeeld. Voor zover er desalniettemin sprake zou zijn van enigerlei overbedeling stellen partijen dat deze berust op een dringende verplichting van moraal en fatsoen, voortvloeiende uit de wijze waarop zij hebben samengeleefd.

(...)

4.1 Partijen verstaan dat artikel 1.3 van het samenlevingscontract regelt dat bij eindiging van de samenleving in gezamenlijk overleg mutatis mutandis van toepassing zijn alle bepalingen van Afdeling 2 van titel 9 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, zodat wellicht de ene partij een uitkering tot levensonderhoud verschuldigd zal zijn aan de andere partij. Partijen hebben op de navolgende wijze uitvoering gegeven aan deze bepaling.

4.2 Partijen verstaan dat de man vanaf 1 juli 2009 in het levensonderhoud van de vrouw heeft bijgedragen op basis van een voorlopige regeling.

4.3 De man zal met ingang van 1 december 2009 bijdragen in het levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 7647,= bruto per maand, welk bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan.

4.4 De wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW wordt uitgesloten over het eerste en het tweede jaar en over het zevende tot en met het tiende jaar. De indexering zal derhalve voor de eerste maal plaatsvinden op 1 januari 2013, doch uitsluitend indien de draagkracht van de man het toelaat.

4.5 De alimentatieplicht van de man zal een maximale duur hebben van tien jaar, te rekenen vanaf 1 juli 2009.

4.6 Indien de vrouw inkomsten uit arbeid gaat verwerven, respectievelijk wanneer haar arbeidsinkomsten in de toekomst stijgen, zullen deze inkomsten, zolang zij een bedrag van € 18.500,= bruto per jaar niet te boven gaan, geen invloed hebben op de hoogte van de alimentatie. Indien de eigen inkomsten uit arbeid dit bedrag van € 18.500,= te boven gaan, zal de alimentatie verminderd worden met 25% van het meerdere. De in dit artikellid genoemde bedragen worden jaarlijks verhoogd volgens dezelfde indexeringsregeling als in artikel 4.4.

4.7 Na het verstrijken van ieder kalenderjaar gaan partijen over tot afrekening op basis van de regeling zoals neergelegd in 4.6. De vrouw zal de hoogte van haar eigen inkomsten in het verstreken jaar aantonen door het overleggen van bewijsstukken, zoals salarisstroken, jaaropgave en/of het in kopie overleggen van relevante delen van haar belastingaangifte. Zij zal de man deze stukken bezorgen uiterlijk in de maand april volgend op het jaar waarop de afrekening betrekking heeft, of zoveel eerder als mogelijk is. Uiterlijk in de maand mei zullen partijen berekenen of de vrouw op basis van artikel 4.6 te veel heeft ontvangen. Het te veel betaalde zal na vaststelling onverwijld door haar aan de man worden terugbetaald.

4.8 Het in artikel 4.3 tot en met 4.7 bepaalde kan niet bij rechtelijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden, behoudens in het geval van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zoals in artikel 1:159 lid 3 BW bepaald. Het gestelde in de vorige volzin geldt niet voor het geval de man op enig moment buiten zijn toedoen niet meer voldoende draagkracht zal hebben voor het betalen van de overeengekomen alimentatie en/of voor het geval dat de vrouw op enig moment een hoger besteedbaar inkomen zal hebben dan de man. Mocht een van deze omstandigheden zich voordoen, dan zal het overeengekomen alimentatiebedrag op grond van gewijzigde omstandigheden kunnen worden verlaagd. Partijen zullen, als zich een wijziging in de situatie van een van hen beiden voordoet, de rechtbank verzoeken in redelijkheid en billijkheid rekening te houden met de uitgangspositie ten tijde van het uiteengaan en hun wens om de vrijheid te hebben hun werk zodanig in te richten dat zij een balans tussen werken en zorgen kunnen bereiken.”

2.3. Bij beschikking van 11 december 2012 van de rechtbank Haarlem is een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw bepaald van € 6000,= per maand met ingang van 16 april 2012, met wijziging van het convenant in zoverre. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.

2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken.

Zij is geboren [in] 1969. Zij vormt met de kinderen van partijen een eenoudergezin.

Zij was vennoot in een vennootschap onder firma, genaamd [de v.o.f.] . De winst uit onderneming bedroeg blijkens de aangifte IB van 2015 in dat jaar € 58.838,=.

Zij heeft sinds 1 april 2016 een eenmanszaak, genaamd [de eenmanszaak] . Blijkens de prognose van 2016 is het resultaat voor belastingen € 14.368=.

2.5. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken.

Hij is geboren [in] 1967. Hij is [in] 2014 gehuwd met [X] . Uit hun huwelijk is [dochter] geboren [in] 2014. Tot het gezin van de man behoort voorts de zoon van mevrouw [X] die [in] 2002 uit een eerdere relatie is geboren.

Hij is werkzaam als radioloog in [de maatschap] . Zijn winst uit onderneming bedroeg in 2015 € 184.431,=.

3 Het geschil in hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.195.543/01

3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 14 oktober 2015 bepaald op € 2843,= per maand, met wijziging van het convenant en de beschikking van 11 december 2012 in zoverre.

Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de man de uitkering primair op nihil te stellen en subsidiair te bepalen op € 3093,= per maand met ingang van 31 oktober 2014, dan wel de datum van indiening van het inleidend verzoek, met wijziging van de beschikking van 11 december 2012 in zoverre.

Het verzoek van de man om een terugbetalingsverplichting aan de zijde van de vrouw op te nemen is afgewezen.

De man had voorts verzocht te bepalen dat, indien zijn wijzigingsverzoek niet met terugwerkende kracht zou worden toegewezen, de tot de ingangsdatum van de beschikking verschuldigde partneralimentatie gelijk wordt gesteld aan het bedrag dat tot die datum feitelijk door de man is betaald of op hem is verhaald.

Verder had de man verzocht de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na de dagtekening van de te wijzen beschikking aan de man te betalen een bedrag van € 22.216,=, te vermeerderen met wettelijke rente met ingang van de verzuimdatum tot die der algehele voldoening, althans de man te machtigen om deze vordering, indien en voor zover die verjaard wordt geacht, tot maximaal de voor de vrouw te eniger tijd geldende beslagvrije voet te compenseren met vorderingen die de vrouw op de man pretendeert uit hoofde van (achterstallige) partner- of kinderalimentatie.

3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, primair het inleidend verzoek van de man met betrekking tot de uitkering tot haar levensonderhoud alsnog af te wijzen en subsidiair te bepalen dat artikel 4.6. van het convenant met ingang van de datum van de bestreden beschikking wordt vernietigd.

3.3. De man verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

In incidenteel hoger beroep verzoekt hij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre en voor zover nodig met verbetering of aanvulling van gronden:

I. de beschikking van de rechtbank Haarlem van 11 december 2012 te wijzigen, althans het convenant te wijzigen, in die zin dat de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 31 oktober 2014, althans een datum eerder dan 14 oktober 2015, wordt verlaagd naar € 2843,= per maand;

II. de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na de dagtekening van de ten deze te wijzen beschikking aan de man terug te betalen de op grond van de bestreden beschikking en/of de door het hof nog te geven beschikking onverschuldigd door hem betaalde of op hem verhaalde kinder- en partneralimentatie, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 4 mei 2016, althans de verzuimdatum, tot die der algehele voldoening, althans de man te machtigen om het onverschuldigd door hem betaalde te verrekenen met toekomstige of achterstallige termijnen van partner- en/of kinderalimentatie, tot maximaal de te eniger tijd voor de vrouw geldende beslagvrije voet;

III. voorwaardelijk, voor het geval de alimentatieverplichting van de man niet reeds met ingang van 31 oktober 2014 wordt verlaagd: de door de man tot 14 oktober 2015 verschuldigde partner- en kinderalimentatie gelijk te stellen aan hetgeen de man tot die datum feitelijk heeft betaald;

IV. de vrouw te veroordelen om binnen vijf dagen na de dagtekening van de ten deze te wijzen beschikking aan de man te betalen een bedrag van € 22.216,= te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 februari 2016, althans de verzuimdatum, tot die der algehele voldoening, althans de man te machtigen om deze vordering, indien en voor zover die verjaard wordt geacht, te compenseren tot maximaal de voor de vrouw te eniger tijd geldende beslagvrije voet met toekomstige en/of achterstallige termijnen aan partner- of kinderalimentatie;

V. te bepalen dat de man bevoegd is om enige verplichting tot betaling van partneralimentatie jegens de vrouw op te schorten, indien en zolang de vrouw in gebreke blijft met nakoming van de voor haar uit artikel 4.7 van het convenant voortvloeiende verplichting om aan de man de hoogte van haar eigen inkomen in het verstreken jaar aan te tonen door het overleggen van bewijsstukken, zoals salarisstroken, jaaropgaven en het in kopie overleggen van de volledige belastingaangifte met toelichting over het verstreken kalenderjaar aan de man, uiterlijk in de maand april volgend op het jaar waarop de afrekening betrekking heeft, althans aan niet nakoming van deze verplichting een dwangsom te verbinden van € 500,= voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft.

3.4. De vrouw verzoekt de verzoeken van de man in incidenteel hoger beroep af te wijzen.

4 Beoordeling van het hoger beroep in de zaak met zaaknummer 200.195.543/01

In principaal hoger beroep

4.1. Met haar hoger beroep heeft de vrouw de interpretatie van artikel 4.8 van het convenant en het daarin vervatte niet-wijzigingsbeding aan de orde gesteld. De vrouw stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de standpunten van partijen dienen te worden beoordeeld in het licht van de laatste volzin van artikel 4.8 van het convenant. Volgens de vrouw moet het volledige artikel 4.8 worden betrokken bij de beoordeling van het verzoek tot wijziging van de man; partijen hebben dit artikel expliciet als een tweetrapsraket geformuleerd en de eerste trap kan niet worden overgeslagen. De eerste trap vergt dat er sprake moet zijn van een zeer ingrijpende wijziging van omstandigheden. Dat de man gehuwd is en nog een kind heeft gekregen, is niet een zodanig ingrijpende wijziging dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. Evenmin is het een wijziging die buiten toedoen van de man is geschied aangezien deze omstandigheden voorzienbaar waren, aldus de vrouw.

4.2. De man betoogt dat artikel 4.8. van het convenant een geclausuleerd niet-wijzigingsbeding bevat dat uitdrukkelijk geen betrekking heeft op een verlaging van de draagkracht. Dat de partneralimentatie wijzigbaar is op grond van artikel 1:401 BW staat tussen partijen vast nu de partneralimentatie in de beschikking van 11 december 2012 is gewijzigd op grond van artikel 1:401 BW en de vrouw daar geen rechtsmiddel tegen heeft gericht.

4.3. Het hof stelt vast dat partijen, in afwijking van de wettelijke maatstaven, hebben afgesproken dat de man aan de vrouw alimentatie zou betalen gedurende tien jaar na hun uiteengaan in 2009. In hun convenant hebben zij in de eerste volzin van artikel 4.8 bepaald dat deze afspraak slechts kan worden gewijzigd indien sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de partij die de wijziging verzoekt – in casu de man – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. Het onderhavige geschil ziet vooral op de uitleg van de navolgende zinsnede in artikel 4.8 van het convenant: “Het gestelde in de vorige volzin geldt niet voor het geval de man op enig moment buiten zijn toedoen niet meer voldoende draagkracht zal hebben voor het betalen van de overeengekomen alimentatie (...).” Vast staat dat de omstandigheden van de man zijn gewijzigd door zijn huwelijk met mevrouw [X] . Uit hun huwelijk is een dochter geboren en als gevolg van het huwelijk heeft de man een onderhoudsplicht ten opzichte van de zoon van mevrouw [X] gekregen. De man stelt dat deze wijziging van zijn omstandigheden een wijziging is als bedoeld in de tweede volzin van artikel 4.8 en de vrouw betwist dit. Toen partijen het convenant opstelden, zo stelt de vrouw, wilde de man de gewraakte zinsnede in het convenant opgenomen zien, omdat hij vreesde voor een verlaging van zijn inkomsten. Volgens de vrouw hebben partijen met een ‘wijziging buiten toedoen van de man’ bedoeld dat het inkomen van de man zou dalen als gevolg van bijvoorbeeld veranderende regelgeving voor de beroepsgroep van de man of een besluit van zijn werkgever. De man heeft ter zitting in hoger beroep bevestigd dat partijen de zinsnede in hun convenant hebben opgenomen om de man te beschermen tegen grote schommelingen in zijn inkomen als gevolg van dergelijke omstandigheden. Het kan echter niet de bedoeling zijn geweest dat de man zijn leven op precies dezelfde voet gedurende tien jaar moest voortzetten, zo stelt hij.

Het hof is van oordeel dat de tekst van het convenant duidelijk is en dat deze wordt ondersteund door de uitleg van partijen zoals ter zitting in hoger beroep gegeven. Uit de tekst en de verklaring van partijen blijkt niet dat zij bij het opstellen van het convenant bedoeld hebben te bepalen dat het ontstaan van nieuwe onderhoudsverplichtingen als gevolg van een eigen keuze van de man een wijziging van omstandigheden zou vormen die noopt tot een wijziging van de partneralimentatie. De tekst ziet door de frase ‘buiten zijn toedoen’ naar het oordeel van het hof nadrukkelijk op externe factoren zoals ziekte, ongeval of faillissement, ofwel omstandigheden die buiten de eigen risicosfeer liggen. Het aangaan van een huwelijk met een partner die een kind heeft, alsmede het met die partner krijgen van een kind, zijn geen gebeurtenissen die buiten de risicosfeer van de man lagen of die hem buiten zijn toedoen zijn overkomen. Derhalve is naar het oordeel van het hof geen sprake van een geval als bedoeld in de tweede volzin van artikel 4.8 van het convenant. Nu de wijziging van omstandigheden voorts niet zo ingrijpend is dat de man naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden, zal het verzoek van de man tot wijziging alsnog worden afgewezen.

4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de tweede grief van de vrouw, die zij voorwaardelijk heeft geformuleerd in geval haar eerste grief niet zou slagen, geen bespreking meer behoeft.

In incidenteel hoger beroep

4.5. De man heeft vier grieven tegen de bestreden beschikking gericht. Zijn eerste drie grieven, die zien op de ingangsdatum van de wijziging van de alimentatie, de terugbetaling door de vrouw van het door haar teveel ontvangene en het tot 14 oktober 2015 bepalen van de partneralimentatie op het feitelijk door de man betaalde, behoeven geen bespreking meer nu het verzoek tot wijziging van de man alsnog zal worden afgewezen.

4.6. Thans resteert derhalve nog de vierde grief van de man. Daarin stelt hij zijn regresvordering van € 22.216,= aan de orde. Uit hoofde van de vermogensrechtelijke afwikkeling van hun samenwoning hebben partijen in 2010 ieder een bedrag van € 41.232,= ontvangen, bestaande uit de verkoopopbrengst van de gezamenlijke woning en spaargelden. De man heeft vervolgens een voorlopige en een definitieve aanslag inkomstenbelasting over 2009 ontvangen van in totaal € 44.432,= op respectievelijk 8 juli 2011 en 5 december 2012. Na betaling daarvan hield de man derhalve niets over van zijn aandeel in het vermogen van partijen. De vrouw moet volgens de man alsnog de helft van de aanslagen betalen. Het betreft een nagekomen vermogensbestanddeel dat bij de verdeling had moeten worden betrokken.

4.7. De vrouw stelt dat de belastingaanslagen betrekking hebben op een aanzienlijke stijging van het inkomen van de man in 2009. Nu de man daarvan heeft geprofiteerd, de aanslagen aan hem zijn opgelegd, partijen niet in hun convenant hebben vastgelegd dat belastingaanslagen dienen te worden aangemerkt als gezamenlijke schulden en zij elkaar finale kwijting hebben verleend in artikel 5 van hun convenant, is de man in privé draagplichtig voor de aanslagen.

Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat verrekening op grond van artikel 6:127 lid 2 BW niet is toegestaan nu de verplichting niet is opgenomen in een overeenkomst of beschikking.

Ook het verzoek van de man om te mogen verrekenen met toekomstige alimentatietermijnen moet worden afgewezen; in de rechtspraak is uitgemaakt dat alimentatie zich naar haar aard niet leent voor verrekening. Uiterst subsidiair doet zij een beroep op rechtsverwerking.

4.8. Het hof stelt vast dat partijen in de derde volzin van artikel 3.8 van het convenant hebben bepaald dat zij, voor zover er sprake zou zijn van enigerlei overbedeling, stellen dat deze berust op een dringende verplichting van moraal en fatsoen, voortvloeiende uit de wijze waarop zij hebben samengeleefd. Overeenkomstig de bedoeling die uit deze bepaling spreekt, acht het hof het evenzo een dringende verplichting van moraal en fatsoen om ook de lasten te dragen die verbonden zijn aan dit genoten inkomen. Nu partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard dat zij medio 2009 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, gaat het hof ervan uit dat de vrouw in de eerste helft van 2009 nog mede van het inkomen van de man heeft geprofiteerd. Derhalve dient zij tevens de naderhand geheven belasting daarover voor haar rekening te nemen voor zover het betreft de eerste helft van 2009. Dit leidt ertoe dat de helft van de helft van het bedrag van € 44.432,=, zijnde € 11.108,= voor rekening van de vrouw moet komen. In zoverre wijst het hof het verzoek van de man toe.

Het hof zal de vrouw veroordelen om binnen een maand na de dagtekening van deze beschikking aan de man voornoemd bedrag te betalen. Het hof ziet geen aanleiding om de vordering te vermeerderen met wettelijke rente nu de man zijn verzoek eerst bij zijn inleidend verzoek van 14 oktober 2015 heeft gedaan. Dat de man enkele jaren heeft gewacht met zijn vordering doet het beroep van de vrouw op rechtsverwerking niet slagen. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien de man zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop dan wel louter stilzitten is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de vrouw het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de man zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de vrouw onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de man zijn aanspraak alsnog geldend zou maken, bijvoorbeeld omdat door het tijdsverloop bewijsmateriaal voor de vrouw verloren is gegaan. Nu van soortgelijke bijzondere omstandigheden in dit geval geen sprake is, faalt het beroep van de vrouw op rechtsverwerking.

4.9. Ten aanzien van het verzoek van de man tot opschorting van de partneralimentatie indien en zolang de vrouw in gebreke blijft met nakoming van de voor haar uit artikel 4.7 van het scheidingsconvenant voortvloeiende verplichting om aan de man de hoogte van haar eigen inkomen in het verstreken jaar aan te tonen door het overleggen van bewijsstukken, heeft de vrouw primair gesteld dat dit verzoek gezien artikel 362 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet voor het eerst in hoger beroep gedaan kan worden. Subsidiair stelt zij dat het verzoek grondslag mist.

4.10. Nu de man in eerste aanleg verzoeker was, staat het hem op grond van artikel 362 juncto 283 Rv vrij in hoger beroep zijn verzoek te veranderen of te vermeerderen. Anders dan de vrouw betoogt is de man dus ontvankelijk in zijn aanvullende verzoek.

Met het overleggen van haar correspondentie met de man over haar financiële stukken heeft de vrouw naar het oordeel van het hof haar stelling dat zij aan haar verplichting op grond van artikel 4.7 van het convenant heeft voldaan, voldoende onderbouwd, waarbij zij opgemerkt dat het convenant voorschrijft dat de vrouw relevante delen van haar belastingaangifte overlegt terwijl de man thans verzoekt om overlegging van de volledige aangifte. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om te bepalen dat de man bevoegd is om de betaling van partneralimentatie jegens de vrouw op te schorten indien en zolang de vrouw in gebreke blijft met nakoming van de voor haar uit artikel 4.7 van het convenant voortvloeiende verplichting op straffe van verbeurte van een dwangsom.

5 Beoordeling van het verzoek in de zaak met zaaknummer 200.195.543/02

5.1. De vrouw heeft ter zitting in hoger beroep haar verzoek tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking ingetrokken. Nu zij haar verzoek niet handhaaft, kan dit niet worden beoordeeld. Het hof zal de vrouw niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

5.2. Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 Beslissing

Het hof:

In de zaak met zaaknummer 200.195.543/01

In principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst het inleidend verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw alsnog af;

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 11.108,= (ELFDUIZEND EENHONDERD ACHT EURO) binnen een maand na dagtekening van deze beschikking;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

In de zaak met zaaknummer 200.195.543/02

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Noot

Korte samenvatting

Tussen partijen is in geschil of de bij convenant overeengekomen uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw kan worden gewijzigd, gelet op het in het convenant opgenomen niet-wijzigingsbeding. Partijen hebben aan het niet-wijzigingsbeding een bepaling toegevoegd, waarin onder meer is opgenomen dat dit niet zou gelden indien de man op enig moment buiten zijn toedoen niet meer voldoende draagkracht zal hebben voor het betalen van de overeengekomen alimentatie. De rechtbank heeft de alimentatie gewijzigd, waarna de vrouw in hoger beroep is gekomen. Het hof heeft geoordeeld dat het geval van de aanvullende bepaling zich niet voordoet en dat er geen aanleiding bestaat af te wijken van het niet-wijzigingsbeding. Het hof wijst dan ook alsnog het verzoek van de man tot wijziging van de alimentatie af.

 

Juridisch Kader

Art. 1:159 lid 3 BW

In onderhavige kwestie gaat het over samenwoners, die evenwel titel 9 afdeling 2 van Boek 1 BW van toepassing hebben geacht op hun situatie, met name voor wat betreft een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Partijen kunnen bij overeenkomst bepalen of, en zo ja met welk bedrag, de één jegens de ander tot het voldoen van alimentatie zal zijn gehouden (art. 1:158 BW).

Art. 1:401 lid 1 BW bepaalt dat indien er sprake is van een wijziging van omstandigheden, waarvan al snel sprake is, een eerder overeengekomen of vastgestelde alimentatie kan worden gewijzigd. Partijen kunnen met een overeenkomst deze wijzigingsmogelijkheid uitsluiten. Deze uitsluiting dient wel schriftelijk te worden gemaakt (art. 1:159 lid 1 BW). Bij schriftelijke overeenkomst kunnen partijen dus een niet-wijzigingsbeding overeenkomen, gebaseerd op art. 1:159 lid 3 BW.

Resteert er dan geen enkele mogelijkheid meer voor het wijzigen van de overeengekomen alimentatie, na het opnemen van een dergelijke bepaling? Art. 1:159 lid 3 BW biedt een zeer beperkte uitweg. Indien er namelijk sprake is van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de alimentatieplichtige naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden, kan de rechter de overeengekomen alimentatie wijzigen. Het dient dan wel te gaan om zeer ingrijpende (gewijzigde) omstandigheden die meebrengen dat sprake is van een volkomen wanverhouding tussen hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de ene partij de ander partij aan het beding zou houden.

Aan de partij die wijziging verzoekt, ondanks een niet-wijzigingsbeding, worden zware eisen gesteld voor de stelplicht en aan de feitenrechter voor de motivering. Begrijpelijk, om reden dat partijen juist expliciet hebben afgesproken, dat zij de gemaakte afspraken niet zouden wijzigen.

Een niet-wijzigingsbeding vrijwaart overigens alleen tegen een wijziging van een alimentatie-overeenkomst op grond van art. 1:401 lid 1 BW, dus op grond dat de alimentatie door een wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Indien er sprake is van een overeenkomst die is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, dan vrijwaart art. 1:159 lid 3 daarvoor niet.

Gelet op jurisprudentie wordt een beroep op art. 1:159 lid 3 BW niet snel toegewezen. Zie hiervoor onder meer Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8538, Gerechtshof Amsterdam van 10 december 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4568, Gerechtshof ’s-Gravenhage van 24 oktober 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BZ8292.

In de eerste zaak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hadden partijen de aanvulling in het convenant opgenomen dat zij onder ingrijpende wijzigingen verstonden in ieder geval de situatie waarin de alimentatieplichtige ten gevolge van lichamelijke of geestelijke omstandigheid niet meer in staat zou zijn om aan de alimentatieplicht te voldoen. Het betrof een tandarts met oogklachten. Het hof past de Haviltex-formule toe en oordeelt op grond van de tekst van het convenant dat geen andere uitleg kan worden gegeven dan dat sprake dient te zijn van een lichamelijke of geestelijke situatie bij de alimentatieplichtige, die ervoor zorgt dat hij niet langer in staat is om de partneralimentatie te voldoen. Het dient volgens het hof derhalve niet enkel te gaan om (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid, maar juist ook om de situatie dat vanwege deze (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid de alimentatieplichtige niet in staat zou zijn om de partneralimentatie te blijven voldoen. Het hof beoordeelt de inkomensgegevens van de man en oordeelt dat, omdat de man verzuimd heeft zijn stelling te onderbouwen met een berekening, er geen sprake is van een ingrijpende wijziging van omstandigheden.

In de zaak van het Hof Amsterdam ging het eveneens om een arbeidsongeschiktheidssituatie. De alimentatieplichtige werd getroffen door een zwaar hartinfarct en stelt dat zijn verdiencapaciteit is beïnvloed. Het hof weegt mee dat niet aannemelijk is gemaakt dat ten tijde van het ondertekenen van het convenant de strekking van het niet-wijzigingsbeding kon worden overzien en dat de (tijdelijke) inkomensachteruitgang in verband met ziekte en de malaise in de bouw niet zonder meer tot wijziging van de alimentatieplicht kunnen leiden.

In de derde zaak, die aangehaald wordt, van het Hof Den Haag, berekende het Hof de inkomensdaling op veertien procent en oordeelde dat daarmee geen sprake was van een volkomen wanverhouding tussen het inkomen ten tijde van het ondertekenen van het convenant en ten tijde van het wijzigingsverzoek. Het hof legt overigens niet uit bij welk percentage er dan wel sprake zou zijn van een wanverhouding.

Uit deze uitspraken volgt dat het van groot belang is dat indien wijziging gewenst is, vooraleerst onderbouwd wordt welke wijziging zich heeft voorgedaan, om vervolgens goed te onderbouwen dat er sprake is van een volkomen wanverhouding tussen de situatie zoals ten tijde van het overeenkomen van het niet-wijzigingsbeding en de situatie op het moment van het wijzigingsverzoek.

 

Uitzondering in het convenant

In de zaak waarop deze noot ziet, hebben partijen een aanvulling op het niet-wijzigingsbeding opgenomen. Partijen hebben klaarblijkelijk een nadere toelichting willen geven wanneer zij het niet-wijzigingsbeding niet van toepassing achten.

“Het gestelde in de vorige volzin (het niet-wijzigingsbeding) geldt niet voor het geval de man op enig moment buiten zijn toedoen niet meer voldoende draagkracht zal hebben voor het betalen van de overeengekomen alimentatie (...)”.

Hoe moet nu met deze aanvulling omgegaan worden. Dient deze eveneens uitgelegd te worden aan de hand van art. 1:159 lid 3 BW of op andere wijze?

 

Uitleg convenant

De vraag die ziet op de uitleg van het convenant van partijen, moet volgens vaste rechtspraak gebaseerd op het Haviltex-arrest (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635), worden beantwoord aan de hand van hetgeen partijen ten tijde van het sluiten daarvan over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband zijn dus niet alleen de bewoordingen van het convenant op dit punt van belang, maar ook de omstandigheden waaronder deze afspraken zijn gemaakt en de wederzijds kenbare bedoelingen van partijen.

 

Deze zaak

De man stelde zich op het standpunt dat zich een wijziging van omstandigheden had voorgedaan, inhoudende dat hij gehuwd is met mevrouw X en dat uit hun huwelijk een dochter is geboren. Daarnaast is de man door het huwelijk onderhoudsplichtig geworden voor de zoon van zijn vrouw, uit haar eerdere relatie. De man stelt dat dit een wijziging is als bedoeld in het convenant, immers dient zijn draagkracht verdeeld te worden en vermindert zijn draagkracht daardoor ten behoeve van de vrouw.

Het hof kijkt in deze zaak naar alle omstandigheden en hecht veel belang aan de uitleg die partijen hebben gegeven over hetgeen zij tijdens het opstellen van het convenant hebben bedoeld. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat de man de toevoeging in het convenant opgenomen wilde zien, omdat hij bang was voor een verlaging van zijn inkomsten. Volgens de vrouw hadden partijen bedoeld met “wijziging buiten toedoen van de man”, dat het inkomen van de man zou dalen als gevolg van bijvoorbeeld veranderde regelgeving voor de beroepsgroep van de man of een besluit van zijn werkgever. De man heeft ter zitting aangegeven dat de bepaling was bedoeld hem te beschermen tegen grote schommelingen in zijn inkomsten.

Het hof hecht daarnaast ook veel waarde aan de tekstuele uitleg. De tekst “buiten zijn toedoen” ziet naar het oordeel van het hof op externe factoren. Het hof beschouwt het huwelijk van de man en de geboorte van zijn dochter geen omstandigheden die buiten de risicosfeer van de man lagen of die hem buiten zijn toedoen zijn overkomen.

Het hof acht in dezen de tekst van het convenant duidelijk en acht deze ondersteund door de toelichting die partijen hebben gegeven ter zitting. Het hof oordeelt dan ook dat de situatie, zoals toegevoegd door partijen in het convenant, niet aan de orde is.

Opmerkelijk is wel dat het hof vervolgens beslist dat de wijziging van omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet zo ingrijpend is, dat de man niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. Opmerkelijk, nu het hof dit niet nader motiveert, ondanks de zware motiveringsplicht. Het hof laat na te motiveren dat in dezen geen sprake is van een volkomen wanverhouding tussen wat partijen bij het sluiten van het convenant voor ogen stond en wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en wel zo, dat het in hoge mate onbillijk zou zijn als de vrouw de man aan het beding zou houden.

 

Regresvordering

In onderhavig arrest is niet enkel het niet-wijzigingsbeding van belang, maar het hof neemt ook een beslissing over een regresvordering van de man. Ook ten aanzien van de regresvordering moet het hof het convenant uitleggen.

Partijen hebben in 2010 als gevolg van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de beëindigde samenwoning ieder een bedrag ontvangen. De man heeft nadien een aanslag Inkomstenbelasting over 2009 ontvangen. De man is van mening dat de vrouw hiervan de helft nog moet voldoen.

Partijen hebben in hun convenant opgenomen:

“Partijen verstaan dat zij behalve de in dit artikel genoemde goederen geen vermogensbestanddelen gemeenschappelijk hebben. Zij verklaren hun gemeenschappelijke vermogensbestanddelen gelijk en overeenkomstig het bepaalde in de wet en in het samenlevingscontract te hebben verdeeld. Voor zover er desalniettemin sprake zou zijn van enigerlei overbedeling stellen partijen dat deze berust op een dringende verplichting van moraal en fatsoen, voortvloeiende uit de wijze waarop zijn hebben samengeleefd.”

De vrouw is van mening dat de aanslag ziet op inkomen dat door de man is ontvangen en in het convenant geen afspraak is opgenomen over de belastingaanslag.

Het hof gaat het convenant aanvullen. Er is klaarblijkelijk geen bepaling in het convenant opgenomen omtrent de belastingaanslag en het hof beschouwt de aanslag niet als behorend tot de algehele afwikkeling, zoals verwoord tussen partijen. Het hof gaat de leemte in het convenant opvullen met een uitleg gebaseerd op Haviltex, de bedoeling van partijen. Het hof legt de bedoeling van partijen zodanig uit dat het hof het ook ten aanzien van de belastingaanslag het een dringende verplichting van moraal en fatsoen acht dat partijen gezamenlijk de lasten dragen van de genoten inkomsten. Het hof maakt daarbij wel het onderscheid in de situatie dat partijen nog samen van het inkomen hebben geprofiteerd. Voor deze periode acht het hof de lasten mede voor rekening van de vrouw. Voor de periode nadien, acht het hof de lasten geheel voor rekening van de man.

 

Conclusie

Indien partijen ervoor kiezen een niet-wijzigingsbeding overeen te komen, moeten zij zich bewust zijn van alle consequenties. Het is verstandig om in het convenant expliciet te vermelden wat de omstandigheden zijn van partijen ten tijde van het ondertekenen van het niet-wijzigingsbeding, maar ook wat de bedoeling is van partijen van het beding. Indien in het convenant opgenomen staat welke gewijzigde omstandigheden een wijziging van de bijdrage mogelijk maken, kan veel discussie voorkomen worden. Houd daarbij goed voor ogen dat veel aandacht wordt besteed aan de uitleg van de gemaakte afspraken aan de hand van Haviltex, maar dat de tekstuele uitleg eveneens van belang is.

M.A.J. Beers, Beers Advocatenkantoor

Verder lezen
Terug naar overzicht