JM 2017/103, RvS 19-07-2017, ECLI:NL:RVS:2017:1939, 201600826/1/R1 (met annotatie van F. Arents)

Inhoudsindicatie

Meteorologische invloeden, Industrielawaai, Laagfrequent geluid, Trillinghinder, Vrachtverkeer, Woon- en leefklimaat, StAB, Stichting Advisering Bestuursrechtspraak

Samenvatting

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad van de gemeente Bronckhorst het bestemmingsplan “Steenderen; herziening bedrijfsterrein Aviko” vastgesteld. Uit het rapport Industrielawaai volgt dat het akoestisch onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: de HMRI). Hierin wordt de stelling van het Burgerinitiatief dat geluidoverdracht door meteorologische invloeden sterk kan variëren, bevestigd. In de HMRI staat onder meer beschreven op welke wijze bij akoestisch onderzoek rekening gehouden moet worden met verschillende weersomstandigheden en onder welke weersomstandigheden metingen representatief kunnen worden geacht. In het rapport industrielawaai staan de meteorologische omstandigheden weergegeven waaronder de metingen hebben plaatsgevonden.

Niet bestreden is dat deze meteorologische omstandigheden overeenstemmen met de in de HMRI beschreven uitgangspunten. Gelet hierop en nu het Burgerinitiatief niet heeft geconcretiseerd waarom de in de HMRI beschreven uitgangspunten onjuist en/of niet representatief zouden zijn, ziet de Afdeling in hetgeen het Burgerinitiatief heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de beoordeling van de geluidbelasting voor de omgeving onvoldoende rekening is gehouden met de variërende meteorologische omstandigheden van het Nederlandse klimaat. Ook hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Burgerinitiatief slechts heeft verwezen naar algemene onderzoeken en rapporten die niet zijn toegespitst op de voorliggende situatie.

Uitspraak

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Steenderen; herziening bedrijfsterrein Aviko" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben het Burgerinitiatief, [appellant sub 2] en anderen, [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Het Burgerinitiatief, [appellant sub 2] en anderen, [appellanten sub 3], en de raad hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft Aviko B.V. een nadere uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 maart 2017, waar (...; red.).

Overwegingen

Verklaring van geen bedenkingen

(...)

Het bestemmingsplan

2. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de bedrijfslocatie van het aardappelverwerkingsbedrijf Aviko op het bedrijventerrein Steenderdiek, gelegen bij de ingang van Steenderen bij de L. Dolfingweg, en voorziet onder meer in een vrieshuis van 35 m hoog. Aan de gronden waarop het vrieshuis is voorzien is de bestemming "Bedrijventerrein - Aardappelverwerkende industrie" met onder meer de aanduiding "maximum bouwhoogte 35 m" toegekend.

(...)

 

 

De beroepen

3. De beroepen van het Burgerinitiatief, [appellant sub 2] en anderen, [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] zijn gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein-Aardappelverwerkende industrie" met de aanduiding "maximum bouwhoogte 35 m". Hiermee wordt volgens hen ten onrechte voorzien in een vrieshuis van ongeveer 7.500 m² van 35 m hoog.

 

Ontvankelijkheid

(...)

 

Formele aspecten

14. Het Burgerinitiatief heeft om inschakeling van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB), verzocht omdat, kort gezegd, de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken gebrekkig zouden zijn.

 De Afdeling ziet in de stelling dat deze onderzoeken gebrekkig zijn geen aanleiding de StAB om een deskundigenbericht te verzoeken. Ook anderszins heeft bestudering van de onderzoeken geen aanleiding gegeven tot vragen aan de StAB.

(...)

Inhoudelijke aspecten

(...)

 

Geluidhinder en trillinghinder

23. Het Burgerinitiatief betoogt dat het bestemmingsplan leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege geluid- en trillinghinder. Hiertoe voert het, kort gezegd, onder meer aan dat de geldende geluidsnormen reeds in de bestaande situatie worden overschreden en dat het gebouw, vanwege de omvang, geluid zal weerkaatsen waardoor bij lage inversie tot 2 kilometer afstand een zogenoemd kaatseffect ontstaat. Teneinde dit te voorkomen moeten volgens het Burgerinitiatief zogenoemde diffractoren langs de weg worden geplaatst, dan wel een 1 m hoge verticale geluidkeerwand. Ter onderbouwing van hun betoog wijst het Burgerinitiatief onder meer op de notitie "Geluid in beeld samengevat" van 29 oktober 2009, die is opgesteld door Kuiper en Burger advies- en ingenieursbureau, een nieuwsartikel "Binnen- en buitenlandse interesse in UT-diffractoren" van 30 oktober 2013 uit het UTnieuws, en een brief van dr. B.G. Heusinkveld, senior onderzoeker op het gebied van meteorologie en luchtkwaliteit, Wageningen Universiteit, datum onbekend, aan [appellant sub 1], het artikel "Geluid", zonder bronvermelding, over geluidoverlast en een PowerPointpresentatie "Combinaties van meten en rekenen in de aanpak van industrie- en verkeersgeluid" van ir. F. van der Eerden.

23.1. Uit paragraaf 6.1.3 van de plantoelichting volgt dat ten behoeve van de realisatie van het vrieshuis akoestische onderzoeken zijn verricht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek Aviko Steenderen t.b.v. Wabo-aanvraag 2014" van 25 juni 2015 (hierna: het rapport industrielawaai) en het rapport "Geluidbelasting wegverkeer op woningen na aanleg ontsluitingsweg nabij Aviko te Steenderen", van 10 februari 2015 (hierna: het rapport wegverkeerslawaai), beide opgesteld door Adviesbureau VanderBoom B.V.

23.2. In het rapport industrielawaai staat dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de activiteiten bij het bedrijf in de immissiepunten bij woningen buiten het industrieterrein hooguit 54 dB(A) etmaalwaarde bedraagt. De MTG-waarden (Maximaal Toegestane Geluidbelasting uit de zonering) bij de woningen worden blijkens dit rapport niet overschreden. Op de zonegrens ligt de geluidbelasting op maximaal 50 dB(A). Daarmee wordt de maximale waarde op de zonegrens ten gevolge van de activiteiten van Aviko op het terrein niet overschreden, zo volgt uit het rapport.

De maximale geluidniveaus ten gevolge van (hoofdzakelijk) de vrachtwagens op het terrein van de inrichting bedragen op de immissiepunten bij de geluidgevoelige objecten buiten het industrieterrein hooguit 54 dB(A) in de dag, avond en nacht. Daarmee worden de gebruikelijke grenswaarden (70/65/60 dB(A) in de dag, avond en nacht) niet overschreden, aldus het rapport industrielawaai.

Verder staat in het rapport industrielawaai dat geen installaties bij het bedrijf aanwezig zijn die relevante trillingen veroorzaken en liggen de woningen daarnaast op voldoende afstand zodat reeds daarom naar verwachting geen trillinghinder dan wel schade aan gebouwen (conform de trillingrichtlijnen SBR-A en -B) zal optreden, aldus het rapport industrielawaai.

23.3. Ten aanzien van het betoog van het Burgerinitiatief dat de gevolgen van de weerkaatsing van geluid op de gevels van het voorziene vrieshuis onvoldoende zijn betrokken bij de beoordeling van de akoestische gevolgen van de voorziene bedrijfsactiviteiten van Aviko voor de omgeving, overweegt de Afdeling dat in het rapport industrielawaai staat dat de geluidemissie via de gevel- en dakvlakken verwaarloosbaar klein is. Het Burgerinitiatief heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport industrielawaai daarmee een onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het Burgerinitiatief slechts heeft verwezen naar algemene onderzoeken en rapporten die niet zijn toegespitst op de voorliggende situatie. Wat betreft de brief van dr. G. Heusinkveld aan [appellant sub 1], datum onbekend, overweegt de Afdeling dat deze brief evenmin een reactie betreft op het rapport industrielawaai. Het betoog faalt.

23.4. Verder begrijpt de Afdeling het betoog van het Burgerinitiatief aldus dat bij de beoordeling van de geluidbelasting voor de omgeving onvoldoende rekening is gehouden met de variërende meteorologische condities van het Nederlands klimaat, waaronder de gevolgen van de weerkaatsing van geluid op een warme luchtlaag als gevolg van inversie. Ten aanzien hiervan overweegt de Afdeling het volgende. Uit het rapport Industrielawaai volgt dat het akoestisch onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt, is uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999 (hierna: de HMRI). Hierin wordt de stelling van het Burgerinitiatief dat geluidoverdracht door meteorologische invloeden sterk kan variëren, bevestigd. In de HMRI staat onder meer beschreven op welke wijze bij akoestisch onderzoek rekening gehouden moet worden met verschillende weersomstandigheden en onder welke weersomstandigheden metingen representatief kunnen worden geacht. In paragraaf 2.2 van het rapport industrielawaai staan de meteorologische omstandigheden weergegeven waaronder de metingen hebben plaatsgevonden. Niet bestreden is dat deze meteorologische omstandigheden overeenstemmen met de in de HMRI beschreven uitgangspunten. Gelet hierop en nu het Burgerinitiatief niet heeft geconcretiseerd waarom de in de HMRI beschreven uitgangspunten onjuist en/of niet representatief zouden zijn, ziet de Afdeling in hetgeen het Burgerinitiatief heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat bij de beoordeling van de geluidbelasting voor de omgeving onvoldoende rekening is gehouden met de variërende meteorologische omstandigheden van het Nederlands klimaat. Ook hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het Burgerinitiatief slechts heeft verwezen naar algemene onderzoeken en rapporten die niet zijn toegespitst op de voorliggende situatie. Wat betreft de brief van dr. G. Heusinkveld aan [appellant sub 1], datum onbekend, overweegt de Afdeling dat deze brief in zoverre evenmin een reactie bevat op het rapport industrielawaai. Het betoog faalt.

23.5. In verband met het betoog van het Burgerinitiatief dat bij de beoordeling van de geluidbelasting voor de omgeving ten onrechte geen rekening is gehouden met laagfrequent geluid als gevolg van de ventilatoren van Aviko op het dak, overweegt de Afdeling het volgende. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 13 december 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ4285) volgt dat laagfrequent geluid kan worden aangemerkt als oorzaak van objectiveerbare hinder. Nu een wettelijk kader voor laagfrequent geluid ontbreekt, kunnen in beginsel aan een vergunning voorschriften ter voorkoming van hinder door laagfrequent geluid, waaronder grenswaarden, worden verbonden. Gelet hierop en nu de raad ter zitting heeft toegelicht dat in de milieuvergunningen van Aviko geluidvoorschriften zijn en worden opgenomen vanwege onder meer de ventilatoren op bedrijfsbebouwing, ziet de Afdeling in hetgeen het Burgerinitiatief heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan geen onaanvaardbare geluidoverlast vanwege laagfrequent geluid tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

23.6. Wat betreft de door het Burgerinitiatief gevreesde hinder vanwege trillingen, staat in het rapport industrielawaai dat bij het bedrijf geen installaties aanwezig zijn die relevante trillingen veroorzaken. Voor zover het Burgerinitiatief heeft gewezen op trillingen als gevolg van het vrachtverkeer van Aviko, heeft de raad ter zitting toegelicht dat de ingang van het dorp Steenderen vanaf de provinciale weg N314 via de L. Dolfingweg wordt aangepast, met dien verstande dat bij de ingang van het dorp Steenderen via de L. Dolfingweg een directe ontsluiting naar het bedrijventerrein Steenderdiek wordt aangelegd. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder 1, van de planregels. Hierdoor wordt het vrachtverkeer ten behoeve van Aviko bij de ingang van Steenderen direct naar het bedrijventerrein geleid, zonder dat daarbij langs woningen wordt gereden. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen het Burgerinitiatief heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontwikkeling geen onevenredige hinder voor het Burgerinitiatief vanwege trillingen tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

23.7. Ten aanzien van de vrees voor geluidoverlast vanwege het vrachtverkeer van Aviko overweegt de Afdeling het volgende. Uit het rapport wegverkeerslawaai volgt dat in verband met de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg naar het terrein van Aviko akoestisch onderzoek is verricht naar de geluidbelasting door wegverkeer op de gevels van de woningen in de omgeving van de nieuwe weg. Daarbij is een geluidbelasting van ten hoogste 40 dB (na aftrek van 5 dB op grond van art 110-g Wet geluidhinder) berekend. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee blijkens het rapport wegverkeerslawaai niet overschreden op de gevels van de woningen in de omgeving van de nieuwe weg. De geluidbelasting door alle wegen samen ligt volgens het rapport wegverkeerslawaai bij de relevante rekenpunten lager dan 53 dB. Het Burgerinitiatief heeft niet aannemelijk gemaakt dat het rapport wegverkeerslawaai zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Voor zover het Burgerinitiatief heeft getracht aan te tonen dat de uitgangspunten in het rapport wegverkeerslawaai ten aanzien van het aantal vervoersbewegingen onjuist zijn, overweegt de Afdeling dat aan de berekening van het Burgerinitiatief van het aantal vervoersbewegingen allerlei schattingen en uitgangspunten ten grondslag liggen, zonder dat inzichtelijk is waar deze op gebaseerd zijn.

De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad aldus dat nu de cumulatieve geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai bij alle rekenpunten lager is dan de ten hoogste toelaatbare vast te stellen hogere waarde als bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet geluidhinder, een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat bij deze rekenpunten gegeven is. Hetgeen het Burgerinitiatief heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan geen onevenredige aantasting van het akoestisch woon- en leefklimaat vanwege het wegverkeerslawaai tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

23.8. Wat betreft het betoog van het Burgerinitiatief dat de geldende geluidnormen reeds in de bestaande situatie worden overschreden door Aviko, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, dit een handhavingsaspect betreft. Handhavingsaspecten kunnen in de onderhavige procedure niet aan de orde komen. Het betoog faalt.

23.9. In hetgeen het Burgerinitiatief voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene vrieshuis geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege geluid- en trillinghinder op de percelen van [appellant sub 1C], [appellant sub 1F] en [appellant sub 1E] tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

(...)

 

Conclusie

37. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellant sub 4], het Burgerinitiatief, voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

38. Gelet op hetgeen onder 33.2 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

38.1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

38.2. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen om binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak het gebrek dat onder 33.2 is geconstateerd te herstellen.

38.3. Daartoe dient de raad met inachtneming van hetgeen onder 33.2 is overwogen alsnog wat de parkeerbehoefte is (voor zowel vracht- als personenverkeer) die het bestemmingsplan genereert inzichtelijk te maken, op welke wijze waar in deze parkeerbehoefte kan worden voorzien, in hoeverre in de omgeving reeds parkeerproblemen bestaan en die eventuele parkeerproblemen in de omgeving bij de afwegingen zijn betrokken.

38.4. Bij een eventuele wijziging van het bestreden besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast. De raad dient de wijziging van het besluit verder op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Proceskosten

39. Voor een proceskostenvergoeding ten aanzien van [appellant sub 2] en anderen, het Burgerinitiatief en [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding.

40. In de einduitspraak zal ten aanzien van [appellanten sub 3] worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 2] en anderen en het Burgerinitiatief tegen de verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang bezien met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van 17 december 2015 van de raad van de gemeente Bronckhorst niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van het Burgerinitiatief, voor zover ingesteld door [appellant sub 1], [appellant sub 1A], [appellante sub 1B], [appellant sub 1D], [appellant sub 1G], [appellant sub 1H] en [appellante sub 1I], de vereniging Bomenbelang Bronckhorst en de personen vermeld op de lijst van ondertekenaars van het burgerinitiatief van 11 november 2015, maar namens wie [appellant sub 1] desgevraagd geen machtiging heeft overgelegd, en het beroep van [appellant sub 2] en anderen, voor zover ingesteld door [appellant sub 2A], [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C], [appellant sub 2], [appellant sub 2D], [appellant sub 2E], [appellant sub 2F], [appellant sub 2G], [appellant sub 2H] en [appellant sub 2I], niet-ontvankelijk;

III. verklaart de beroepen van het Burgerinitiatief, voor zover ontvankelijk, [appellant sub 2] en anderen, voor zover ontvankelijk, en [appellant sub 4] ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Bronckhorst op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak:

- met inachtneming van overweging 38 tot en met 38.4 de daar omschreven gebreken te herstellen, en;

- de Afdeling en alle partijen de uitkomst mede te delen en een eventuele wijziging van het besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

Noot

In deze lange uitspraak wordt door appellanten min of meer elk denkbaar argument in stelling gebracht om het bestemmingsplan waarin de Aviko-vestiging wordt vastgelegd, dat wil zeggen op enkele onderdelen herzien, tegen te houden. Een enkele keer werkt een ‘schot hagel’ van beroepsgronden, maar sinds de introductie van de bestuurlijke lus is dit eigenlijk alleen effectief als een geconstateerd gebrek niet meer te herstellen is. In het onderhavige geval slaagt slechts een klein onderdeel van de beroepsgronden, namelijk alleen waar die zien op de parkeerbehoefte. De Afdeling past echter artikel 8:51d van de Awb toe en draagt de gemeente op om de strijd met artikel 3:2 Awb te herstellen.

Voor de rubriek geluid is vooral de beroepsgrond dat bij de berekening van de geluidbelasting geen rekening is gehouden met de variërende meteorologische condities interessant. Meteorologische omstandigheden, voor zover van invloed op de geluidbelasting, vormen slechts zeer zelden een onderwerp waar de Afdeling over oordeelt.

Het is een gegeven is dat de geluidbelasting (vanwege alle bronnen) mede wordt beïnvloed door de weersomstandigheden en dan vooral als de afstand tussen bron en ontvanger meer dan 50 meter is, wat bij industrielawaai bijna altijd het geval zal zijn. In de verschillende reken- en meetvoorschriften en handleidingen, in casu de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999, wordt met die weersinvloeden dan ook rekening gehouden. De geluidoverdracht tussen bron en ontvanger kan door weersinvloeden sterk variëren, vooral door de variabelen windrichting, windsnelheid en temperatuur.

In de Handleiding wordt bij de uitleg van de wijze van meten van de geluidbelasting gebruik gemaakt van het zogenoemde ‘meteoraam’ waarin de meteorologische omstandigheden, waaronder metingen mogen worden uitgevoerd, zijn gedefinieerd als de omstandigheden waaronder een goede en stabiele geluidoverdracht plaatsvindt. Bij het berekenen van de geluidbelasting wordt uitgegaan van de meteoraamomstandigheden. Van de daarmee bepaalde niveaus wordt dan nog wel de meteocorrectieterm afgetrokken, om te komen tot een representatieve geluidbelasting.

Juristen haken bij de technische aspecten zoals beschreven in de Handleiding waarschijnlijk al snel af, maar het is wel van belang om van het bestaan van het fenomeen meteorologische omstandigheden op de hoogte te zijn. In het onderhavige geval is het akoestisch onderzoek conform de Handleiding uitgevoerd en zijn dus meteorologische omstandigheden verdisconteerd in de uitkomsten. Een goede uitleg hierover zou een beroep of het inbrengen van deze beroepsgrond eventueel kunnen voorkomen.

Appelanten richten zich ook tegen het laagfrequente geluid afkomstig van ventilatoren op het dak van het bedrijf. Laagfrequent geluid kan worden aangemerkt als ‘oorzaak van objectiveerbare hinder’. De Afdeling verwijst hiervoor naar een eerdere uitspraak uit 2006. De conclusie is dat in een vergunning voorschriften kunnen worden opgenomen om die hinder vanwege laagfrequent geluid te voorkomen of verminderen, ondanks dat er geen wettelijke normen voorhanden zijn. Dergelijke geluidvoorschriften zijn in de milieuvergunningen van Aviko zodanig opgenomen dat de Afdeling kan concluderen dat van onaanvaardbare overlast geen sprake zal zijn. Zie voor laagfrequent geluid en de beoordeling daarvan ook de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1965, eveneens in deze aflevering openomen onder «JM» 2017/101.

F. Arents

Terug naar overzicht