JOR 2017/202, Commissie van Beroep Tuchtrecht Banken 15-03-2017, , CvB TRB 2016/1 (met annotatie van mr. A. Lenaerts)

Inhoudsindicatie

Tuchtrecht banken, Toepassingsbereik bankierseed en bancaire tuchtrecht, Gedragingen vallen buiten uitoefening van functie van bankmedewerker maar hebben wel enkele raakvlakken met bank, Handelen in strijd met bankierseed, Vernietiging van bestreden beslissing zonder oplegging van maatregel, Hoger beroep van beslissing Tuchtcommissie Banken 30 november 2016, «JOR» 2017/69, m.nt. Atema

Samenvatting

Aan de orde is de vraag of het handelen van verweerder binnen het bereik van de door hem afgelegde bankierseed (met inbegrip van de daarin opgenomen verwijzing naar de Gedragsregels) valt.

Het gaat in deze zaak om gedragingen van verweerder die zich in elk geval hierdoor kenmerken dat hij (i) welbewust een niet voor hem bestemd geldbedrag dat kenbaar afkomstig was van een klant van de bank, vrijwel direct na de ontvangst heeft overgemaakt op andere rekeningen van hemzelf (in dit geval bij de bank, waar hij toen ook werkzaam was); (ii) ook volgens zijn eigen verklaring wist dat het bedoelde geldbedrag afkomstig was van een vennootschap waar zijn toenmalige vriendin werkzaam was en dat deze vriendin een rol had gespeeld bij de foutieve (dat wil zeggen: door die vennootschap niet beoogde) overboeking naar een rekening van hem, verweerder; (iii) precies de helft van het ten onrechte ontvangen bedrag vrijwel direct heeft doorbetaald aan die toenmalige vriendin.

De Commissie van Beroep trekt uit de vaststaande feiten en verweerders weigering om enkele wezenlijke nadere vragen daarover te beantwoorden de conclusie dat hij en zijn toenmalige vriendin hebben samengespannen om geld dat niet voor hen bestemd was, door een samenstel van overmakingen – deels via de bank – voor zichzelf te behouden.

De Commissie van Beroep zal geen algemeen geldende criteria geven voor de grens tussen zuiver privéhandelen (dat mogelijk en in beginsel buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht ligt) en handelen dat zich volledig binnen de uitoefening van de functie van de bankmedewerker in kwestie afspeelt. Het gaat in deze zaak om gedragingen die zich in hoofdzaak buiten de eigenlijke uitoefening van verweerders functie bij de bank hebben afgespeeld, maar wel enkele raakvlakken hebben gehad met de bank. De mogelijke benadeling betrof immers een klant van de bank, en verweerder heeft voor het betalingsverkeer na de onjuiste ontvangst van het bedrag van € 2.450 gebruikgemaakt mede van rekeningen van hem bij de bank. Bovendien heeft hij – ook in het interne onderzoek van de bank naar zijn handelen – geweigerd antwoord te geven op bepaalde vragen over de achtergrond van de foutieve overschrijving naar zijn rekening.

De Commissie van Beroep acht de hier beschreven handelwijze van verweerder in strijd met de bankierseed, en in het bijzonder (en in elk geval) met de Gedragsregels 1 en 6 en met de in 7.1, slot, aangehaalde passage van de door verweerder afgelegde bankierseed. Bankmedewerkers – zeker ook degenen onder hen met frequente klantcontacten, zoals bij verweerder het geval was – dienen ook in hun persoonlijke betalingsverkeer, in hun “omgang met geld van een ander”, integer en zorgvuldig te zijn. Als klanten van de bank zouden weten dat degene die hen namens de bank adviseert, niet aan deze eis voldoet, zullen zij contacten met de betrokkene in de uitoefening van diens functie bij de bank willen vermijden. Daarenboven is van belang dat verweerder de bank niet volledig heeft geïnformeerd over datgene wat zij, bij haar interne onderzoek naar het handelen van hem, wilde weten over de achtergronden van dat handelen.

De Commissie van Beroep acht in dit geval geen reden aanwezig voor het opleggen van enige sanctie. In de eerste plaats kon er onduidelijkheid bestaan (niet over de onzorgvuldigheid van verweerders gedrag in deze kwestie, maar) over de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht ten aanzien van handelingen die zich ten minste voor een groot deel in de privésfeer hebben afgespeeld. In de tweede plaats heeft verweerder al aanzienlijk nadeel van zijn gedrag ondervonden aangezien zijn arbeidsrelatie bij de bank als gevolg van het gebeurde is geëindigd, en wel op een tijdstip waarop – naar hij zelf heeft verklaard – zijn werkzaamheid op uitzendbasis zou worden omgezet in een vast dienstverband.

Uitspraak

(...; red.)

2. De feiten waarvan kan worden uitgegaan

2.1. Verweerder is vanaf 5 mei 2014 op uitzendbasis werkzaam geweest bij de bank, als medewerker kantoren. In deze functie had hij klantcontacten waarbij hij adviseerde over onder meer kwesties betreffende spaarrekeningen, betalingsverkeer en verzekeringen. Hij heeft op 2 juni 2015 de bankierseed of -belofte (hierna tezamen aangeduid als “de bankierseed”) afgelegd. Daarmee heeft hij zich tevens gebonden aan de Gedragsregels bancaire sector (hierna: de Gedragsregels).

2.2. Op 14 augustus 2015 is van een zakelijke rekening van een klant van de bank (een vennootschap die hierna wordt aangeduid als “de klant van de bank”) een geldbedrag van € 2.450 overgemaakt naar een (privé)rekening van verweerder bij een andere bank (hierna: de andere bank). De betaling was binnen het bedrijf van de klant van de bank voorbereid door een stagiaire die daar toen werkzaam was (hierna te noemen: “mevrouw W.”). Deze stagiaire was destijds de vriendin van verweerder. Het overgemaakte geldbedrag was niet bestemd voor verweerder, maar voor de verhuurder van een pand waarvan de klant van de bank de huurder was. De betaling had als omschrijving “Huur [pand in Amsterdam]”.

2.3. Verweerder heeft kort na de ontvangst van het genoemde bedrag gezien dat het bedrag niet voor hem bestemd was. Hij heeft op 16 augustus 2015 het postadres voor zijn rekening bij de andere bank gewijzigd van zijn werkelijke woonadres in een adres in België, waar naar zijn zeggen zijn moeder woont. Zelf is hij niet verhuisd. Verweerder heeft voorts op 17 augustus 2015 het door hem ontvangen bedrag overgemaakt naar aan een andere (privé)rekening van hem, en wel een rekening bij de bank. Op diezelfde dag heeft hij vrijwel het gehele bedrag van die rekening overgemaakt naar in totaal drie andere rekeningen van hem bij de bank. Hij heeft vervolgens op 20 augustus 2015 een gedeelte groot € 1.225 (met de vermelding “vakantie shoppen”) via een andere rekening van hem, verweerder, bij de bank overgemaakt op een rekening van zijn genoemde vroegere vriendin, mevrouw W.

2.4. Omstreeks 18 augustus 2015 en ook enige tijd later heeft de bank, na een melding van de klant van de bank, aan verweerder verzocht het geldbedrag van € 2.450 terug te storten. Aan deze verzoeken en aan een later gelijkluidend verzoek van de klant van de bank heeft verweerder niet meteen gevolg gegeven. Hij heeft het ten onrechte ontvangen bedrag teruggestort op 8 oktober 2015. De bank heeft een intern onderzoek ingesteld naar de gang van zaken en heeft hem in dat verband op 19 oktober 2015 doen horen.

2.5. De bank heeft, als gevolg van het gebeurde, op 20 oktober 2015 de relatie met verweerder, als uitzendkracht, beëindigd. Dit heeft de bank met een brief van 24 november 2015 aan hem bevestigd.

2.6. De bank heeft ten aanzien van het handelen van verweerder, met inbegrip van diens weigering om – zoals zij het heeft uitgedrukt – volledig opening van zaken te geven, een melding gedaan bij klager. Klager heeft vervolgens een onderzoek uitgevoerd, dat heeft geresulteerd in het klachtrapport van 2 juni 2016. Hij heeft dit rapport aan de secretaris van de Tuchtcommissie gezonden. In de kern houdt de daarin opgenomen klacht in dat het handelen van verweerder in strijd is met hetgeen hem betaamt op grond van de artikelen 1, 4 en 6 van de Gedragsregels. Klager bepleit oplegging van een boete van € 500 aan verweerder en een maatregel in de vorm van opleiding of verplicht te volgen educatie.

3. De beslissing van de Tuchtcommissie en de gronden van deze beslissing

3.1. De Tuchtcommissie heeft klager niet-ontvankelijk verklaard.

3.2. Kort samengevat heeft de Tuchtcommissie hiertoe het volgende overwogen. De aanhef van de wettelijk verplichte bankierseed vermeldt:

“Ik zweer/beloof binnen de grenzen van mijn functie die ik op enig moment in de bancaire sector vervul (...)”.

De tekst van de bankierseed heeft louter betrekking op het handelen van de bankmedewerker in kwestie (“de beëdigde”) binnen de grenzen van zijn functie. Het handelen van verweerder dat ten grondslag ligt aan de klacht, valt buiten het werkingsgebied van de bankierseed. Verweerder heeft immers geen handelingen verricht in de uitoefening van zijn functie bij de bank. Daarom is klager niet-ontvankelijk in zijn klacht en komt de Tuchtcommissie niet toe aan een oordeel over het onderdeel van de klacht dat betrekking heeft op het niet-geven van openheid over de gang van zaken.

4. De grieven van klager (samengevat)

4.1. De Tuchtcommissie heeft een te beperkte uitleg gegeven van de werkingssfeer van de Gedragsregels en de reikwijdte van het daarmee samenhangende tuchtrecht. Daarbij heeft primair te gelden dat de handelingen en gedragingen van verweerder vanuit zijn functie onder de bankierseed en de Gedragsregels vallen. Verweerder is niet goed met geld van een ander omgegaan en de klant van de bank heeft daardoor hinder ondervonden. Daar komt bij dat verweerder tegenover interne medewerkers van de bank, zijn toenmalige “werkgever”, geen openheid van zaken over zijn handelen heeft gegeven. Ook heeft hij niet gereageerd op de aanschrijving van hem, als “beëdigde”, door klager en is hij niet verschenen op de vergadering van de Tuchtcommissie. Ook deze aspecten van zijn gedragingen vallen onder het bereik van de door hem afgelegde bankierseed.

4.2. Subsidiair betoogt klager dat verweerder door diens dubieuze en onzorgvuldige handelen de kern van zijn beroepsnormen heeft geraakt en daarmee het maatschappelijke vertrouwen in de banksector heeft geschonden. De Tuchtcommissie heeft in elk geval in dit opzicht een te beperkte uitleg gegeven aan het doel en de strekking van de bankierseed. Ook handelen in de privésfeer kan, afhankelijk van de verdere omstandigheden, tot tuchtrechtelijke verwijtbaarheid leiden. Dit laatste is hier het geval.

4.3. Meer subsidiair stelt klager dat de Tuchtcommissie ook in meer algemene zin een te beperkte uitleg heeft gegeven aan de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. Privéhandelingen van een beëdigde die – zoals de handelingen van verweerder – verweven zijn met de functie van de betrokkene bij een bank, dienen onder de gelding van het tuchtrecht te vallen. Anders zou volledig voorbijgegaan worden aan de strekking en het doel van het bancaire tuchtrecht en zou dit aan kracht inboeten.

5. Het standpunt van verweerder

5.1. Verweerder heeft tijdens de vergadering op 8 maart 2017 verklaard dat de hem verweten gedragingen louter gedragingen van hem privé zijn en daardoor niet onder het bereik van de bankierseed en het daarmee verbonden tuchtrecht vallen. Hij bepleit op deze grond verwerping van de grieven.

5.2. Verweerder heeft geen antwoord gegeven op vragen van de Commissie van Beroep over datgene wat hij met zijn (toenmalige) vriendin heeft besproken. Hij beschouwt dat als privégegevens, waarover hij geen verantwoording behoeft af te leggen.

6. De tekst van de bankierseed en van de hier mogelijk relevante Gedragsregels

6.1. Voor bankmedewerkers zoals verweerder bepaalt de – op de Wet op het financieel toezicht berustende – Regeling eed of belofte bancaire sector 2015 (hierna: de Regeling) in artikel 2 lid 3 het volgende:

“Voor de door een natuurlijk persoon als bedoeld in [...] af te leggen eed of belofte wordt gebruik gemaakt van een door de onderneming vast te stellen formulier dat ten minste de volgende elementen bevat:

a. het integer en zorgvuldig uitoefenen van de functie;

b. het maken van een zorgvuldige afweging tussen de belangen van de partijen die bij de onderneming betrokken zijn, in het bijzonder die van klanten en de maatschappij;

c. het centraal stellen van het belang van de klant;

d. het naleven van wetten, reglementen en gedragscodes; en

e. het behouden en bevorderen van het vertrouwen in de financiële sector.”

6.2. De Gedragsregels houden voor zover thans van belang het volgende in:

1. U werkt integer en zorgvuldig

Dit betekent onder andere dat u in uw werk

– eerlijk en betrouwbaar bent;

– verstrengeling van uw eigen belangen met de belangen van anderen voorkomt;

– de schijn van belangenverstrengeling voorkomt.

(...)

4. U houdt zich aan de wet en andere regels die voor uw werk bij de bank gelden

Dit betekent onder andere dat u zich in uw werk houdt aan de wet, reglementen, gedragsregels en instructies die voor uw werk bij de bank gelden.

(...)

6. U bent open en eerlijk over uw gedrag en kent uw verantwoordelijkheid naar de samenleving.

Dit betekent dat u uw gedrag in uw werk laat toetsen aan deze gedragsregels.”

7. De beoordeling van het hoger beroep

7.1. In het dossier van deze zaak bevindt zich niet (een kopie van) het formulier met de tekst van de door verweerder op 2 juni 2015 afgelegde bankierseed. De in 3.2 aangehaalde tekst van de aanhef van de bankierseed komt niet voor in de wet of in de Regeling. Beide partijen hebben met zoveel woorden verklaard dat deze aanhef wel deel uitmaakt van de tekst van de bankierseed die verweerder heeft afgelegd. De Commissie van Beroep neemt dit daarom als vaststaand aan en gaat ervan uit dat de tekst van de bankierseed in dit geval gelijk is geweest aan die welke is gepubliceerd op www.tuchtrechtbanken.nl. Deze tekst bevat, naast de aanhef en de passages die corresponderen met de onderdelen a-e van artikel 2 lid 3 van de Regeling, onder meer de volgende tekst:

“Tevens bevestigt [naam betrokkene] zich te houden aan de gedragsregels en de handhaving van de gedragsregels en de uitoefening van de bevoegdheden op grond van het Tuchtreglement bancaire sector te erkennen”.

7.2. De kern van deze tuchtzaak kan worden samengevat in de vraag of het handelen van verweerder binnen het bereik van de door hem afgelegde bankierseed (met inbegrip van de daarin opgenomen verwijzing naar de Gedragsregels) valt. De Tuchtcommissie heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Verweerder heeft zich bij dit oordeel van de Tuchtcommissie aangesloten. Klager bepleit het tegendeel.

7.3. Alvorens deze vraag te beantwoorden stelt de Commissie van Beroep vast dat het in deze zaak gaat om gedragingen van verweerder die zich in elk geval hierdoor kenmerken dat hij

(i) welbewust een niet voor hem bestemd geldbedrag dat kenbaar afkomstig was van een klant van de bank, vrijwel direct na de ontvangst heeft overgemaakt op andere rekeningen van hemzelf (in dit geval bij de bank, waar hij toen ook werkzaam was);

(ii) ook volgens zijn eigen verklaring wist dat het bedoelde geldbedrag afkomstig was van een vennootschap waar zijn toenmalige vriendin werkzaam was en dat deze vriendin een rol had gespeeld bij de foutieve (dat wil zeggen: door die vennootschap niet beoogde) overboeking naar een rekening van hem, verweerder;

(iii) precies de helft van het ten onrechte ontvangen bedrag vrijwel direct heeft doorbetaald aan die toenmalige vriendin.

7.4. De Commissie van Beroep acht deze handelwijze van verweerder niet integer en niet zorgvuldig. Het feit dat hij het niet voor hem bestemde geldbedrag heeft doorgeleid naar andere rekeningen van hem en uiteindelijk voor de helft naar een rekening van zijn toenmalige vriendin, wettigt het vermoeden dat hij heeft geprobeerd dat geldbedrag in twee gelijke delen ten goede te laten komen aan hem en zijn toenmalige vriendin. Voor dit vermoeden bestaat temeer reden nu hij precies in de periode van deze overmakingen het postadres van de rekening bij de andere bank waarop het geldbedrag ten onrechte was binnengekomen, heeft gewijzigd in een adres in België. Voor deze adreswijziging, die volgens zijn eigen mededeling enige tijd later ongedaan is gemaakt, heeft hij geen verklaring willen geven. Ook overigens komt in het dossier geen enkele acceptabele verklaring voor deze mutatie naar voren.

7.5. Hierbij kan het volgende worden aangetekend. Het staat een ieder – en dus ook verweerder in deze zaak – vrij om het antwoord op bepaalde vragen wel te kennen maar niet te geven. In zo’n geval kan de Commissie van Beroep daaraan de conclusies verbinden die zij gepast oordeelt. Dit heeft de Commissie van Beroep tijdens haar vergadering ook aan verweerder meegedeeld. In dit geval trekt de Commissie van Beroep uit de vaststaande feiten en verweerders weigering om enkele wezenlijke nadere vragen daarover te beantwoorden de conclusie dat hij en zijn toenmalige vriendin hebben samengespannen om geld dat niet voor hen bestemd was, door een samenstel van overmakingen – deels via de bank – voor zichzelf te behouden. Daarbij kan in het midden blijven of verweerder wist dat zijn toenmalige vriendin het geld zou gaan overmaken naar een rekening van hem of dat hij pas nadat dit was gebeurd bekend is geworden met deze onjuiste overmaking.

7.6. De Commissie van Beroep zal de in 7.2 vermelde kernvraag beantwoorden op basis van deze, in 7.3-5 vermelde, gegevens. Zij zal geen algemeen geldende criteria geven voor de grens tussen zuiver privé handelen (dat mogelijk en in beginsel buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht ligt) en handelen dat zich volledig binnen de uitoefening van de functie van de bankmedewerker in kwestie afspeelt. Het gaat in deze zaak om gedragingen die zich in hoofdzaak buiten de eigenlijke uitoefening van verweerders functie bij de bank hebben afgespeeld, maar wel enkele raakvlakken hebben gehad met de bank. De mogelijke benadeling betrof immers een klant van de bank, en verweerder heeft voor het betalingsverkeer na de onjuiste ontvangst van het bedrag van € 2.450 gebruikgemaakt mede van rekeningen van hem bij de bank. Bovendien heeft hij – ook in het interne onderzoek van de bank naar zijn handelen – geweigerd antwoord te geven op bepaalde vragen over de achtergrond van de foutieve overschrijving naar zijn rekening.

7.7. De Commissie van Beroep acht de hier beschreven handelwijze van verweerder in strijd met de bankierseed, en in het bijzonder (en in elk geval) met de Gedragsregels 1 en 6 en met de in 7.1, slot, aangehaalde passage van de door verweerder afgelegde bankierseed. Bankmedewerkers – zeker ook degenen onder hen met frequente klantcontacten, zoals bij verweerder het geval was – dienen ook in hun persoonlijke betalingsverkeer, in hun “omgang met geld van een ander”, integer en zorgvuldig te zijn. Als klanten van de bank zouden weten dat degene die hen namens de bank adviseert, niet aan deze eis voldoet, zullen zij contacten met de betrokkene in de uitoefening van diens functie bij de bank willen vermijden. Daarenboven is van belang dat verweerder de bank niet volledig heeft geïnformeerd over datgene wat zij, bij haar interne onderzoek naar het handelen van hem, wilde weten over de achtergronden van dat handelen.

7.8. Dit leidt tot gegrondbevinding van de klacht ten aanzien van de in 7.7 vermelde elementen. Datgene wat partijen nader hebben aangevoerd, voert de Commissie van Beroep niet tot een andere beslissing. Voor zover klager andere aspecten van het handelen van verweerder aan zijn klacht ten grondslag heeft gelegd, is de klacht ongegrond.

7.9. De Commissie van Beroep acht in dit geval geen reden aanwezig voor het opleggen van enige sanctie op grond van het ook in dit hoger beroep toepasselijke artikel 3.9.2 van het Tuchtreglement bancaire sector. In de eerste plaats kon er onduidelijkheid bestaan (niet over de onzorgvuldigheid van verweerders gedrag in deze kwestie, maar) over de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht ten aanzien van handelingen die zich ten minste voor een groot deel in de privésfeer hebben afgespeeld. In de tweede plaats heeft verweerder al aanzienlijk nadeel van zijn gedrag ondervonden. Zoals vermeld, is zijn arbeidsrelatie bij de bank als gevolg van het gebeurde geëindigd, en wel op een tijdstip waarop – naar hij zelf heeft verklaard – zijn werkzaamheid op uitzendbasis zou worden omgezet in een vast dienstverband.

7.10. Dit alles leidt tot de hierna vermelde beslissing.

8. De beslissing in het hoger beroep

De Commissie van Beroep:

8.1. vernietigt de beslissing van 30 november 2016 van de Tuchtcommissie;

8.2. verklaart de klacht gegrond ten aanzien van de in deze beslissing beschreven aspecten en verklaart de klacht voor het overige ongegrond;

8.3. bepaalt dat aan verweerder geen maatregel wordt opgelegd.

Noot

1. Op 15 maart 2017 verschenen de eerste uitspraken van de Commissie van Beroep Tuchtrecht Banken (hierna: Commissie van Beroep). Deze uitspraak is het vervolg op de uitspraak van de Tuchtcommissie van 30 november 2016, «JOR» 2017/69, m.nt. Atema. De feiten die ten grondslag liggen aan de uitspraak zijn als volgt. X is vanaf mei 2014 werkzaam als uitzendkracht bij de bank. Hij heeft in juni 2015 de bankierseed afgelegd en zich daarmee gebonden aan de Gedragsregels bancaire sector (hierna: Gedragsregels). In augustus 2015 ontvangt X op zijn bankrekening bij een andere bank een geldbedrag van een klant van de bank waarvan hij weet dat dit niet voor hem is bestemd. De overboeking van het geldbedrag was voorbereid door de toenmalige vriendin van X, die als stagiaire bij de klant van de bank werkte. Vervolgens heeft X het bedrag overgemaakt op andere rekeningen van hemzelf bij de bank en heeft hij de helft van het bedrag overgemaakt aan zijn toenmalige vriendin met de mededeling “vakantie shoppen”. De bank heeft X meermalen verzocht het geldbedrag terug te storten, waaraan X na tweeëneenhalve maand gevolg heeft gegeven. Naar aanleiding van het handelen van X is een intern onderzoek ingesteld bij de bank. Tevens is de relatie met X (als uitzendkracht) door de bank beëindigd. De klacht van de Algemeen Directeur van de Stichting Tuchtrecht Banken (hierna: klager) tegen X houdt in dat zijn handelen in strijd is geweest met art. 1, 4 en 6 Gedragsregels (voor een uitgebreide weergave van de feiten zie r.o. 2.1 t/m 2.6).

2. De Tuchtcommissie oordeelde dat de handelingen van X niet zijn verricht in de uitoefening van zijn functie en daarmee niet binnen de grenzen van het bancaire tuchtrecht vallen. Klager is niet-ontvankelijk en de Tuchtcommissie komt aan een inhoudelijke bespreking van de klacht niet toe. De Commissie van Beroep is van oordeel dat de gedragingen van X zich in hoofdzaak buiten de eigenlijke uitoefening van de functie van X hebben afgespeeld, maar wel enkele raakvlakken hebben gehad met de bank. De raakvlakken zijn dat de benadeelde een klant was van de bank, dat de rekeningen waar X geld naar heeft overgemaakt rekeningen waren bij de bank en dat X heeft geweigerd ten aanzien van zijn handelen en verwante omstandigheden openheid van zaken te geven. De Commissie van Beroep toetst of het handelen van X in strijd is met de bankierseed en de Gedragsregels. De klacht van klager wordt door de Commissie van Beroep gegrond bevonden, wat leidt tot vernietiging van de beslissing van de Tuchtcommissie.

3. De principiële vraag die de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep moesten beantwoorden was of de gedragingen van X vallen binnen het bereik van de bankierseed en het bancaire tuchtrecht. Voor de beantwoording van deze ontvankelijkheidsvraag is van belang of het ging om gedragingen in de uitoefening van de functie van bankmedewerker of om privégedragingen. De Tuchtcommissie bepaalde in haar uitspraak in eerste aanleg dat X geen handelingen heeft verricht binnen de grenzen van zijn functie als bankmedewerker. De gedragingen van X vallen niet binnen de door hem afgelegde bankierseed en zijn niet tuchtrechtelijk toetsbaar. Hiermee lijkt zij een (te) ruime reikwijdte van het bancaire tuchtrecht te willen voorkomen. De Commissie van Beroep oordeelde dat het handelen van X raakvlakken had met de bank waardoor de klacht inhoudelijk kon worden beoordeeld. Naar aanleiding van deze uiteenlopende oordelen en het ontbreken van een wettelijke bepaling op dit punt is de vraag of alleen beroepsmatig verrichte handelingen tuchtrechtelijk kunnen worden getoetst aan de Gedragsregels of dat ook privéhandelen van een bankmedewerker voor tuchtrechtelijke toetsing in aanmerking komt?

4. In het algemeen geldt dat een bankmedewerker zich fatsoenlijk en zorgvuldig dient te gedragen en zich moet onthouden van handelen dat het beroep van bankmedewerker of de sector in diskrediet kan brengen (zie Gedragsregels). Het handelen van X vond naar mijn mening – en ook naar die van de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep – hoofdzakelijk (al dan niet geheel) plaats binnen de privésfeer van X. Kan privéhandelen van een bankmedewerker tuchtrechtelijk worden getoetst? De ontwikkeling van het tuchtrecht bij andere zakelijke dienstverleners als advocaten, notarissen en accountants kan in dit kader (wellicht) aanknopingspunten bieden. Bij deze beroepsgroepen wordt immers eveneens – zowel intern als extern – groot gewicht toegekend aan het beschermen en het waarborgen van vertrouwen in de kwaliteit en professionaliteit van de beroepsgroep.

5. Voor advocaten geldt dat zij aan tuchtrechtspraak zijn onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die zij als advocaat behoren te betrachten ten opzichte van degenen wier belangen zij behartigen of behoren te behartigen (art. 46 Advocatenwet, hierna: Advw). Het wetsartikel maakt geen onderscheid tussen privéhandelen en beroepsmatig handelen. Uit de jurisprudentie van het Hof van Discipline blijkt dat een privégedraging enkel vol aan art. 46 Advw wordt getoetst indien daarvoor voldoende aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van advocaat aanwezig zijn. Wanneer aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van advocaat ontbreken, geldt de beperktere maatstaf of de gedraging van de advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht. De tuchtrechter moet beoordelen of een gedraging voor volle toetsing of voor beperkte toetsing in aanmerking komt (bijvoorbeeld Hof van Discipline 6 december 2013, ECLI:NL:TAHVD:2013:336). Privéhandelingen van een advocaat zijn (al dan niet beperkt) tuchtrechtelijk toetsbaar.

6. Notarissen zijn op grond van art. 93 Wet op het notarisambt aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. Een notaris moet zich in de uitoefening van zijn beroep en daarbuiten zodanig gedragen dat het vertrouwen in het notariaat en in zijn eigen beroepsuitoefening niet wordt geschaad (art. 2 Verordening beroeps- en gedragsregels 2011). Uit deze bepalingen blijkt dat een notaris zich zowel bij de uitoefening van zijn beroep als privé behoorlijk dient te gedragen. Gedragingen in privé kunnen onder omstandigheden laakbaar zijn en binnen het tuchtrecht vallen. Hiervoor dient voldoende verband te bestaan met (de uitoefening van) het ambt van notaris (Kamer voor het notariaat Amsterdam 12 januari 2017, klachtnummer: 615221/NT RK 16/61).

7. Voor accountants gold dat handelen van een accountant in de privésfeer voor tuchtrechtelijke toetsing vatbaar was. In die situaties moest terughoudendheid worden betracht bij de beoordeling van het handelen van de accountant en was slechts in uitzonderlijke situaties plaats voor tuchtrechtelijk ingrijpen (CBb 19 augustus 2011, ECLI:NL:CBB:BR6106, r.o. 3.3 en 3.6). Per 1 mei 2009 is de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) gewijzigd. Op grond van art. 33 Wet RA zijn accountants enkel bij “beroepsmatig handelen” onderworpen aan tuchtrechtspraak op grond van de Wet tuchtrechtspraak accountants. De Accountantskamer oordeelde in een uitspraak in 2010 dat de wetswijziging niet in de weg stond aan tuchtrechtelijke toetsing van privéhandelingen van accountants (Accountantskamer 30 augustus 2010, ECLI:NL:TACAKN:2010:YH0032). In hoger beroep kwam het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) tot een ander oordeel. Het CBb is van oordeel dat naar aanleiding van deze wetswijziging privéhandelen niet langer tuchtrechtelijk kan worden getoetst (CBb 11 oktober 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BY0646, r.o. 3.7). Sinds de uitspraak van het CBb is een klacht tegen een accountant enkel ontvankelijk ten aanzien van werkzaamheden die behoren tot zijn kerntaken, privégedragingen vallen hier niet onder.

8. Of privégedragingen binnen de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht vallen is onduidelijk. De Commissie van Beroep geeft in deze uitspraak aan geen algemene criteria te geven voor de grens tussen zuiver privé handelen (dat mogelijk en in beginsel buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht ligt) en handelen dat zich volledig binnen de uitoefening van de functie van de bankmedewerker in kwestie afspeelt (r.o. 7.6). De tekst van de bankierseed en de Gedragsregels verschaffen op dit punt eveneens geen helderheid.

9. Voor bankmedewerkers – met naar hun aard verschillende werkzaamheden, waardoor de homogeniteit van de beroepsgroep lastig kan worden vastgesteld – ontstaat hierdoor onduidelijkheid en onzekerheid ten aanzien van de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht. In deze uitspraak acht de Commissie van Beroep raakvlakken met de bank voldoende om een klacht binnen de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht te laten vallen. Deze ruime opvatting van de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht en de clausule van de Commissie van Beroep dat zuiver privé handelen “in beginsel” buiten het bereik van het bancaire tuchtrecht valt versterken deze onduidelijkheid en onzekerheid. De door het CBb gekozen weg van het uitsluiten van tuchtrechtelijke toetsing van privégedragingen lijkt vooralsnog niet de voorkeur te krijgen van de Commissie van Beroep. Het is de vraag of de Commissie van Beroep zich bij het bepalen van de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht zou kunnen vinden in het vereiste van een “voldoende verband met de functie van bankmedewerker” of dat zij een nog ruimer bereik van het bancaire tuchtrecht ten aanzien van privégedragingen voorstaat. Het is wenselijk als over de reikwijdte van het bancaire tuchtrecht voor de bancaire sector duidelijkheid komt.

mr. A. Lenaerts, promovenda Instituut voor Financieel Recht, Radboud Universiteit Nijmegen