JPF 2017/33, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11-01-2017, ECLI:NL:GHARL:2016:10005, 200.193.094/01

Inhoudsindicatie

Geschil over proefcontact en informatieplicht, Hof onvoldoende voorgelicht, Nader onderzoek raad, Overvolle agenda kind

Samenvatting

In deze zaak is het proefcontact tussen de vader en de minderjarige en de invulling van de informatieplicht van de moeder aan de vader in geschil. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de moeder veroordeeld om de vader per kwartaal te informeren over onder meer de ontwikkeling van de minderjarige en de schoolkeuze en heeft bepaald dat de moeder steeds recente foto’s naar de vader dient te sturen. De beslissing met betrekking tot de omgangsregeling heeft de rechtbank aangehouden voor een periode van drie maanden, in welke periode statusvoorlichting aan de minderjarige dient te worden gegeven en een proefcontact tussen de vader en de minderjarige dient te worden georganiseerd.

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de informatieplicht en het proefcontact en verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak voor korte tijd aanhouden. In de tussentijd verzoekt het hof de raad met spoed onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van de minderjarige. Het gaat daarbij in het bijzonder om de vraag in hoeverre het thans verantwoord is om de ontstane impasse te doorbreken in de vorm van een proefcontact tussen de minderjarige en de vader. De vader heeft inmiddels met vervangende toestemming het kind kunnen erkennen, maar tot op heden is het nog steeds niet tot informatie en omgang gekomen en de vader en de minderjarige hebben elkaar nog nooit ontmoet.

Aanvankelijk heeft de moeder zich op het standpunt gesteld dat de vader als gevolg van een autisme spectrum stoornis sociale beperkingen heeft, waardoor zij bang was dat de minderjarige niet veilig bij hem was. Gaandeweg is echter gebleken dat niet zozeer de vader met psychische problemen kampt, als wel dat de moeder de nodige trauma’s heeft te verwerken. De moeder is dientengevolge – met medeneming van de minderjarige – opgenomen geweest bij stichting G. Deze opname blijkt voor de minderjarige stresserend te zijn geweest. Voorts is ter zitting ook gebleken dat de minderjarige van net vier jaar momenteel wel een heel volle agenda heeft op het gebied van hulp en onderzoek. Zo krijgt hij onder meer een keer per week psychomotorische therapie, is er een keer per week intensieve psychiatrische gezinsbehandeling en gaat hij een keer per week naar logopedie.

Het hof maakt zich – op basis van de stukken en de indruk die de moeder ter zitting op het hof maakte – grote zorgen over haar draagkracht en vraagt zich ernstig af of de opvoedingssituatie van de minderjarige bij haar wel veilig is. Door het gebrek aan daadkracht van de moeder acht het hof het des te belangrijker om te bezien of de vader een concrete rol kan krijgen in de opvoeding van de minderjarige.

Het hof verzoekt – alvorens verder te beslissen – de raad het nader onderzoek in te stellen en uiterlijk 13 januari 2017 daarover te rapporteren.

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg

(...; red.)

2. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

3. De vaststaande feiten

3.1. Partijen zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]), geboren [in] 2012, over wie de moeder alleen het gezag uitoefent.

3.2. De vader heeft [de minderjarige] met vervangende toestemming van de rechtbank op 12 mei 2014 erkend.

3.3. Bij beschikking van 8 juli 2015 is [de minderjarige] op (mondeling) verzoek van de raad onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling duurt thans nog voort.

4. De omvang van het geschil

4.1. Tussen partijen is in geschil het proefcontact tussen de vader en [de minderjarige] en de (invulling van) de informatieplicht van de moeder aan de vader over [de minderjarige].

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking de moeder veroordeeld om de vader per kwartaal op de hoogte te houden over de ontwikkeling van [de minderjarige], of zoveel vaker als nodig is, over eventuele medische zaken en of schoolkeuzes en heeft bepaald dat de moeder daarbij steeds recente foto’s van [de minderjarige] naar de vader dient toe te sturen. De rechtbank heeft de beslissing met betrekking tot de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] aangehouden voor een periode van drie maanden, in welke periode statusvoorlichting aan [de minderjarige] gegeven dient te worden en een proefcontact tussen de vader en [de minderjarige] dient te worden georganiseerd door de gezinsvoogd.

4.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de in de bestreden beschikking opgenomen informatieplicht bij herstelbeschikking van latere datum uitvoerbaar bij voorraad is verklaard.

4.3. De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking (van 17 mei 2016). Deze grief ziet op de informatieplicht en het proefcontact. De moeder verzoekt de beschikking van 17 mei 2016 te vernietigen.

5. De motivering van de beslissing

Ontvankelijkheid

5.1. Anders dan de vader is het hof van oordeel dat de moeder ontvankelijk is in haar verzoek in hoger beroep wat betreft de informatieplicht. Dat de moeder zich in eerste aanleg niet, althans niet in volle omvang heeft verzet tegen de door de vader verzochte – en door de rechtbank toegewezen – concrete invulling van de informatieplicht maakt dat niet anders. Het staat de moeder vrij om in hoger beroep terug te komen op haar eerder in de procedure ingenomen standpunten.

5.2. Voor wat betreft het proefcontact is de beslissing van de rechtbank niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de daaraan gekoppelde termijn van drie maanden door de schorsende werking van het onderhavige appel, anders dan de vader stelt, nog niet is (gaan) (ver)lopen. In zoverre is de moeder dus ook ontvankelijk in haar verzoek in hoger beroep.

Informatieplicht en proefcontact

5.3. Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen geven. Hoewel behoorlijk opgeroepen was de raad niet ter zitting aanwezig. Gezien het verloop van de zitting en de daar gerezen acute en ernstige zorgen over (de opvoedingssituatie van) [de minderjarige] wenst het hof de mondelinge behandeling voort te zetten in aanwezigheid van de raad. Daarom zal het hof de behandeling van de zaak voor korte duur aanhouden. In de tussentijd verzoekt het hof de raad met spoed onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van [de minderjarige] en het hof, binnen de kaders van de punten hier in geding, daarover van advies te dienen. Daarbij wenst het hof in het bijzonder ook antwoord te krijgen op de vraag in hoeverre het voor [de minderjarige] thans verantwoord is om de ontstane impasse te doorbreken in de vorm van een proefcontact tussen hem en de vader zoals de rechtbank in de bestreden beschikking heeft bepaald.

5.4. Het betreft hier een reeds jarenlang lopende procedure tussen partijen. Het inleidend verzoek van de vader tot erkenning, omgang en informatie dateert van 3 september 2013. Met vervangende toestemming van de kinderrechter heeft de vader [de minderjarige] inmiddels kunnen erkennen, maar tot omgang en informatie is het, afgezien van een 1,5 jaar oude foto van [de minderjarige], tot op heden nog steeds niet gekomen. [de minderjarige] en de vader hebben elkaar nimmer ontmoet. [de minderjarige] weet niet of nauwelijks van het bestaan van zijn vader. De moeder houdt standvastig alles af. De inzet van het traject Ouderschap na Scheiding van [D] en zelfs de gedwongen maatregel van ondertoezichtstelling gericht op het tot stand brengen van contact tussen [de minderjarige] en de vader hebben daarin geen verandering kunnen aanbrengen.

5.5. Aanvankelijk heeft de moeder zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat de vader als gevolg van een autisme spectrum stoornis ([E] d.d. 17 juli 2012) sociale beperkingen heeft waardoor zij bang was dat [de minderjarige] niet veilig bij hem was. Gaandeweg is echter gebleken dat het niet zozeer de vader is die met psychische problemen kampt (second opinion [F] d.d. 7 april 2014), als wel dat de moeder de nodige trauma’s heeft (te verwerken). De moeder is, onder medeneming van [de minderjarige], van 11 augustus 2015 tot 1 oktober 2015 opgenomen geweest bij Stichting [G] te [H], teneinde tot rust te komen en het inzicht in haar eigen emotionele wereld en gedachtewereld te vergroten. De moeder is aldaar gediagnostiseerd met een post traumatische stressstoornis. Daarbij komt dat de moeder van lieverlee, gesteund door een veelvoud aan door haar ingeschakelde hulpverleners, toenemende zorgen heeft geuit en uit over de gezondheid en ontwikkeling van [de minderjarige]. De moeder heeft de onderbouwing van haar standpunt in de loop van de procedure aangepast in die zin dat zowel [de minderjarige] als zij eerst rust nodig hebben om met hun problemen aan de slag te gaan. Zij kunnen beiden de impact van een proefcontact met de vader op korte termijn niet aan, aldus de moeder.

Hoewel de moeder, mede door haar onverminderde vermoeden van autisme bij de vader, ook nog altijd angst aangeeft voor de (veiligheid van [de minderjarige] bij) vader, lijkt zij inmiddels haar eigen trauma’s – zij is overigens wisselend in haar verklaringen over de rol van de vader daarin – en de rondom [de minderjarige] gerezen problematiek (in deze procedure) aan te grijpen om de vader zo lang mogelijk buiten de deur te houden.

5.6. Uit de stukken is gebleken dat de opname bij Stichting [G] stresserend voor [de minderjarige] is geweest. Voorts is ter zitting gebleken dat [de minderjarige] van net vier jaar momenteel wel een heel volle agenda heeft op het gebied van hulp en onderzoek. Op dit moment gaat hij één keer per week naar psychomotorische therapie, is er één keer per week intensieve psychiatrische gezinsbehandeling en gaat hij één keer per week naar logopedie. Hij bezoekt regelmatig de kinderneuroloog die met een onderzoek bezig is, en ook de jeugd- en kinderpsychiatrie. Daarnaast komt hij regelmatig bij de angsttandarts, om hem te helpen en te laten wennen aan allerlei medische onderzoeken. Ook zijn er contacten met een oogspecialist.

Bovendien is gebleken dat [de minderjarige] momenteel niet naar school gaat. Hij is van het medisch kinderdagverblijf overgegaan naar een school, maar daar is iets gebeurd waar hij heftig van overstuur is geraakt. Wat precies is onduidelijk, maar hij is daarna thuis bizar gedrag gaan vertonen, aldus mr. Werink namens de moeder ter zitting.

Extra belastend voor [de minderjarige] is, aldus nog steeds mr. Werink ter zitting, dat hij onheus bejegend wordt door de benedenburen. Zij vinden dat hij teveel lawaai maakt en stellen daar last van te hebben. [de minderjarige] is als gevolg hiervan momenteel erg bang voor de benedenburen. Op korte termijn zal [I] nader onderzoek gaan verrichten naar de vraag wat de werkelijke achtergrond is van de angsten waar [de minderjarige] momenteel mee te maken heeft.

5.7. Op basis van de stukken en de indruk die de moeder ter zitting op het hof heeft gemaakt maakt het hof zich grote zorgen over haar draagkracht en vraagt het zich ernstig af of de opvoedingssituatie van [de minderjarige] bij haar wel veilig is. Het hof zag ter zitting een gebroken vrouw. Zij gaf ter zitting aan dicht te klappen en was vervolgens niet meer in staat tot communiceren. De moeder stond letterlijk en figuurlijk stijf van angst. Het hof heeft het idee dat de moeder niet de ruimte heeft om aan haar eigen problemen te werken. Daardoor lijkt de situatie rond haarzelf en [de minderjarige] in stand te blijven of, gelet op de recente informatie daarover, zelfs te verergeren.

Ter zitting is voorts gebleken dat de hulpverlening, waaronder de GI, niet of nauwelijks binnenkomt bij de moeder waardoor er al lange tijd onvoldoende zicht is op de thuissituatie. Het lukt de GI al 1,5 jaar niet om een constructieve samenwerkingsrelatie met de moeder op te bouwen. Onlangs heeft de moeder ook het vertrouwen in de huidige, sinds februari/maart 2016 betrokken, twee gezinsvoogden opgezegd. De GI is daarom voornemens een nieuwe gezinsvoogd aan te stellen.

5.8. Door het gebrek aan draagkracht van de moeder acht het hof het des te belangrijker om te bezien of de vader een concrete rol kan krijgen in de opvoeding van [de minderjarige]. In tegenstelling tot de opvoedingssituatie bij de moeder, heeft het hof, ook gezien de uitkomsten van genoemde second opinion, geen aanwijzing voor zorgen over de opvoedingsomgeving bij de vader. Zoals eerder in de procedure ook al eens door de raad is gesuggereerd, acht het hof het goed denkbaar dat de vader en [de minderjarige], in verband met hun mogelijk overeenkomstige gevoeligheden, juist veel aan elkaar zouden kunnen hebben.

5.9. Het bevreemdt het hof tot slot dat in het kader van de ondertoezichtstelling, die inmiddels al bijna 1,5 jaar van kracht is, nog immer niet of nauwelijks actie is ondernomen om de vader adequaat te informeren over [de minderjarige], ondanks dat daartoe, los van de bestreden beschikking op dit punt, ook gewoon een wettelijke verplichting bestaat. Het hof vraagt zich af waarom de GI dat niet heeft opgepakt. De foto die de vader van [de minderjarige] heeft is nota bene 1,5 jaar oud. Bij zo’n jong kind als [de minderjarige] geeft dat geen pas. Het hof rekent het tot de gezamenlijke taak van de GI en de moeder om er voor te zorgen dat de vader de nodige informatie over [de minderjarige] krijgt en in ieder geval met behulp van recente foto’s op de hoogte wordt gehouden van zijn gezondheid en ontwikkeling.

6. De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof beslissen als volgt.

7. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

alvorens verder te beslissen:

verzoekt de raad een nader onderzoek in te (doen) stellen als hiervoor onder 5.3 omschreven en uiterlijk op 13 januari 2017 daaromtrent te rapporteren;

bepaalt dat de behandeling van de zaak zal worden voortgezet op 17 januari 2017 om 15.00 uur.

Verder lezen
Terug naar overzicht