JPF 2017/51, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-11-2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9288, 200.190.168/01

Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie, Bepaling netto gezinsinkomen over een periode die – door het feitelijk uiteengaan van partijen – vijf jaar ligt voor de ontbinding van het huwelijk

Samenvatting

Partijen zijn in 1996 met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren, namelijk de jongmeerderjarige, geboren in 1997 en de minderjarige, geboren in 2000 (verder te noemen: de jongmeerderjarige resp. de minderjarige). Partijen zijn in 2011 feitelijk uit elkaar gegaan. Uit de relatie van de man met zijn huidige partner is in 2015 een dochter geboren. In de (verbeterde) bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en nevenvoorzieningen getroffen, waaronder dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw, dat de man vanaf 1 januari 2015 een bedrag van € 160 per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud c.q. in de kosten van levensonderhoud en studie voor de minderjarige en de jongmeerderjarige en voorts dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk € 1.019 bruto per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud. Deze beschikking is door de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad verklaard wat betreft de bijdragen ten behoeve van de minderjarige en de jongmeerderjarige. Het huwelijk van partijen werd in februari 2016 ontbonden.

Tussen partijen zijn in geschil het hoofdverblijf van de minderjarige, de kinderbijdrage voor de minderjarige en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De man heeft ter zitting van het hof zijn verzoek in hoger beroep met betrekking tot het hoofdverblijf van de minderjarige ingetrokken, hetgeen aansluit bij de wens van de minderjarige, zodat het hof. De man heeft zijn tweede grief betreffende de kinderbijdrage ten behoeve van die minderjarige in verband hiermee aangepast nu hij feitelijk uitgaven doet voor de minderjarige en dat wil blijven doen, zonder daarnaast met een dreigende executie van de bestreden beschikking te worden geconfronteerd. De man heeft daarom zijn verzoek in die zin gewijzigd dat hij, naast zijn verzoek om de bijdrage ten behoeve van de minderjarige op nihil te stellen, tevens verzoekt vast te leggen dat hij rechtstreeks kosten/rekeningen voor de minderjarige betaalt ten bedrage van in ieder geval € 160 per maand. De vrouw heeft zich verzet tegen het door de man gewijzigde verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie voor de minderjarige. De vrouw wil graag aanspraak blijven houden op een reguliere kinderbijdrage voor de minderjarige, omdat zij het niet altijd eens is met de keuzes die de man maakt in de besteding. Het hof heeft de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie voor de minderjarige bekrachtigd nu bij de vrouw geen draagvlak bestaat voor de door de man verzochte (vrijblijvende) besteding van de kinderbijdrage en de man geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde bijdrage van € 160 per maand. Het hof heeft dit beslist, omdat het wettelijk systeem niet voorziet in zodanige regeling, als de onderhoudsplichtigen het daarover onderling niet eens zijn.

Problematischer is de vaststelling van de partneralimentatie, omdat partijen al zo’n vijf jaren een gescheiden huishouding voerden vóór de formele ontbinding van het huwelijk in februari 2016. Naar het oordeel van het hof dient daarom in principe niet het inkomen van partijen in de jaren na het uiteen gaan van partijen in 2011 maatgevend te zijn voor de bepaling van de behoefte van de vrouw, maar het inkomen van partijen in de laatste periode van hun samen zijn. Gelet op het feit dat beide partijen in die periode ondernemer waren, zou dit inkomen in dit geval moeten worden bepaald door middeling over de jaren 2008 t/m 2010, omdat het hof die periode het meest representatief acht voor de welstand die partijen toentertijd gewoon waren. Echter, in casu hebben de vrouw noch de man voldoende relevante bescheiden of objectief verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de welstand van partijen in die jaren 2008 t/m 2010. Omdat de man ter zitting van het hof de stelling van de vrouw had bevestigd dat vanuit de winkel aan huis die de vrouw had in die jaren maandelijks zo’n € 1.000 aan privéuitgaven werden voldaan, gaat het hof daarom uit van dat inkomen aan de zijde van de vrouw. Verder is ook vastgesteld dat partijen daarnaast hebben geleefd van het inkomen van de man. Het hof neemt daarom het enige overgelegde afschrift, zijnde de aangifte inkomstenbelasting 2011, tot uitgangspunt voor de berekening. Het totale netto gezinsinkomen van partijen, ter bepaling van de behoefte van de vrouw wordt daarmee becijferd op € 2.340 per maand. Met kindgebonden budget van € 394 per maand komt het eigen inkomen van de vrouw ruim hoger uit dan haar huwelijksgerelateerde behoefte van afgerond € 1.114 netto per maand. Het hof wijst dan ook het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud af en bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Uitspraak

1. Het geding in eerste aanleg

(...; red.)

2. Het geding in hoger beroep

(...; red.)

3. De vaststaande feiten

3.1. Partijen zijn [in] 1996 te [C] met elkaar gehuwd.

3.2. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren, namelijk de jongmeerderjarige [de jongmeerderjarige], geboren [in] 1997 in de gemeente [C] en de minderjarige [de minderjarige], geboren [in] 2000 in de gemeente [C] (verder te noemen: [de jongmeerderjarige] en [de minderjarige]).

3.3. Partijen zijn in 2011 feitelijk uit elkaar gegaan.

3.4. Uit de relatie van de man met zijn huidige partner is [in] 2015 geboren [D].

3.5. In de (verbeterde) bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en nevenvoorzieningen getroffen, waaronder dat de minderjarige [de minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw, dat de man met ingang van 1 januari 2015 een bedrag van € 160,= per kind per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud c.q. in de kosten van levensonderhoud en studie voor [de minderjarige] en [de jongmeerderjarige] en voorts dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk € 1.019,= per maand aan de vrouw dient te betalen als uitkering tot levensonderhoud. Deze beschikking is door de rechtbank, voor zover hier van belang, uitvoerbaar bij voorraad verklaard wat betreft de bijdragen ten behoeve van [de minderjarige] en [de jongmeerderjarige].

3.6. De echtscheidingsbeschikking is op 26 februari 2016 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

4. De omvang van het geschil

4.1. Tussen partijen zijn in geschil het hoofdverblijf van [de minderjarige], de kinderbijdrage voor [de minderjarige] en de bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

4.2. De man verzoekt het hof in zijn beroepschrift om, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen (het hof begrijpt: onder vernietiging van de bestreden beschikking tot in zoverre):

– dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] voortaan bij de man zal zijn;

– dat de kinderbijdrage voor [de minderjarige] met ingang van 18 april 2016 op nihil wordt bepaald en;

– dat de partneralimentatie op nihil wordt gesteld dan wel op een zodanig bedrag als het hof juist acht.

4.3. De vrouw verzoekt het hof in haar verweerschrift om de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen met bekrachtiging van de bestreden beschikking, al dan niet met aanvulling of verbetering van de gronden.

5. De motivering van de beslissing

Het hoofdverblijf van [de minderjarige]

5.1. De man heeft ter zitting van het hof zijn verzoek in hoger beroep met betrekking tot het hoofdverblijf van [de minderjarige] ingetrokken, zodat dit hier verder onbesproken kan blijven. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen waarbij opgemerkt wordt dat dit ook aansluit bij de door [de minderjarige] aan het hof kenbaar gemaakte mening.

De kinderalimentatie voor [de minderjarige]

5.2. De grief van de man inhoudend dat [de minderjarige] feitelijk bij hem het hoofdverblijf heeft, is komen te vervallen door intrekking van het betreffende verzoek. De man heeft zijn tweede grief betreffende de kinderbijdrage ten behoeve van [de minderjarige] in verband hiermee aangepast nu hij feitelijk uitgaven doet voor [de minderjarige] en dat wil blijven doen, zonder daarnaast met een dreigende executie van de bestreden beschikking te worden geconfronteerd. De man wijzigt daarom zijn verzoek in die zin dat hij naast zijn verzoek om de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] op nihil te stellen tevens verzoekt vast te leggen dat hij rechtstreeks kosten/rekeningen voor [de minderjarige] betaalt ten bedrage van in ieder geval € 160,= per maand.

5.3. De vrouw heeft zich verzet tegen het door de man gewijzigde verzoek met betrekking tot de kinderalimentatie voor [de minderjarige]. De vrouw wil graag aanspraak blijven houden op een reguliere kinderbijdrage voor [de minderjarige] omdat zij het niet altijd eens is met de keuzes die de man maakt in de besteding.

5.4. Het hof zal de bestreden beschikking op het punt van de kinderalimentatie voor [de minderjarige] bekrachtigen nu bij de vrouw geen draagvlak bestaat voor de door de man verzochte (vrijblijvende) besteding van de kinderbijdrage en de man geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de door de rechtbank opgelegde bijdrage van € 160,= per maand. Het wettelijk systeem voorziet niet in zodanige regeling indien de onderhoudsplichtigen het daarover onderling niet eens zijn.

De partneralimentatie

* de ingangsdatum

5.5. Tegen de door de rechtbank in eerste aanleg gekozen ingangsdatum, de dag van ontbinding van het huwelijk, is geen grief gericht. De echtscheidingsbeschikking is, zoals hiervóór vermeld, op 26 februari 2016 ingeschreven in registers van de burgerlijke stand. Het hof zal daar bij zijn beoordeling vanuit gaan.

* de behoefte van de vrouw

5.6. De man stelt de hoogte van de behoefte van de vrouw ter discussie. Hij kan zich in het bijzonder niet vinden in de hoogte van het door de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de vrouw in aanmerking genomen gezamenlijk netto inkomen van € 4.150,= per maand.

5.7. De vrouw is kort gezegd van mening dat de rechtbank haar behoefte op juiste wijze heeft bepaald.

5.8. Het hof stelt voorop dat de behoefte van een gewezen echtgeno(o)t(e) volgens vaste rechtspraak in beginsel gerelateerd is aan de welstand tijdens het huwelijk. In bijzondere omstandigheden kan daar anders over worden geoordeeld maar zodanige bijzondere omstandigheden zijn hier naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken.

5.9. Bij de bepaling van de behoefte dient voorts rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Dit betekent dat zowel van belang is te weten wat de inkomsten waren tijdens het huwelijk als een globaal inzicht dient te bestaan in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten – en gelet op de welstand redelijke – kosten van levensonderhoud door de rechter dienen te worden bepaald. Hierbij is voorts van belang dat partijen tijdens het huwelijk ondernemer waren. Voor een ondernemer geldt als uitgangspunt dat het inkomen wordt bepaald door middeling over een aaneengesloten periode van meerdere jaren om fluctuaties, die nu eenmaal inherent zijn aan het ondernemerschap, enigszins te ondervangen. In het geldende procesreglement van het hof is in dit verband omschreven welke stukken zoal van belang zijn en dienen te worden ingebracht indien het inkomen in geschil is.

5.10. Uitgangspunt daarbij is dat de bewijslast en daarmee het bewijsrisico voor het bestaan van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage als hier bedoeld, ligt bij de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw. Dit volgt uit de hoofdregel van artikel 150 Rv, gelezen in samenhang met artikel 1:157 BW.

5.11. De vrouw heeft geen behoeftelijst met onderliggende bescheiden overgelegd aan de hand waarvan haar behoefte kan worden bepaald, zodat hof uit zal gaan van de hofnorm voor wat betreft de methode van behoeftebepaling zijnde kort gezegd 60% van het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk verminderd met de kosten van de kinderen. Bovendien doet zich in dit geval de bijzonderheid voor dat partijen al zo’n vijf jaren een gescheiden huishouding voerden vóór de formele ontbinding van het huwelijk op 26 februari 2016. Naar het oordeel van het hof dient daarom in principe niet het inkomen van partijen in de jaren na het uiteen gaan van partijen in 2011 maatgevend te zijn voor de bepaling van de behoefte van de vrouw, maar het inkomen van partijen in de laatste periode van hun samen zijn. Gelet op het feit dat beide partijen in die periode ondernemer waren, zou dit inkomen in dit geval moeten worden bepaald door middeling over de jaren 2008 t/m 2010. Die periode is immers het meest representatief voor de welstand die partijen gewoon was toen zij nog samen waren. Het hof constateert echter dat door de vrouw noch door de man voldoende relevante bescheiden of objectief verifieerbare gegevens zijn overgelegd met betrekking tot de welstand van partijen in die jaren 2008 t/m 2010. Gelet op hetgeen hiervóór onder rechtsoverweging 5.10 is overwogen, dient dat in beginsel voor rekening en risico van de vrouw te blijven. De man heeft evenwel ter zitting van het hof bevestigd de stelling van de vrouw dat vanuit de winkel aan huis die de vrouw had in die jaren maandelijks zo’n € 1.000,= aan privéuitgaven werden voldaan. Het hof zal op grond daarvan dat inkomen aan de zijde van de vrouw in aanmerking nemen. Tussen partijen staat voorts vast dat zij daarnaast hebben geleefd van het inkomen van de man. Het enige relevante stuk met betrekking tot het inkomen van de man in de periode direct vóór 2011 waarover het hof beschikt betreft het bruto inkomen van de man in 2010 zoals dat staat vermeld in de aangifte inkomstenbelasting 2011. Het hof zal dat jaarinkomen aan de zijde van de man derhalve in aanmerking nemen ter bepaling van de behoefte van de vrouw, zijnde bruto € 17.007,= hetgeen correspondeert met een netto besteedbaar inkomen van circa € 1.340,= per maand (tarieven 2010/2, standaard heffingskortingen). Het totale netto gezinsinkomen van partijen, ter bepaling van de behoefte van de vrouw kan daarmee worden becijferd op € 2.340,= per maand.

5.11. Op dit netto gezinsinkomen dienen, overeenkomstig de aanbevelingen van de expertgroep alimentatienormen, de uitgaven voor de kinderen in mindering te worden gebracht omdat die van invloed zijn geweest op de welstand. Het hof berekent de uitgaven voor de kinderen, bij gebrek aan andersluidende gegevens, aan de hand van de tabel behorend bij het rapport van de alimentatiewerkgroep (versie 2010, tweede helft, tabel twee kinderen; 6 kinderbijslagpunten) op € 483,= per maand. De behoefte van de vrouw kan worden bepaald op circa € 1.114,= netto per maand (€ 2.340,= minus € 483,= x 60%). Het meerdere is door de vrouw niet aangetoond en door de man betwist zodat het hof van deze behoefte zal uitgaan. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat partijen tijdens het huwelijk op te grote voet hebben geleefd is ook dat betwist en door de vrouw niet nader onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan.

* de behoeftigheid

5.12. Op de hierboven bepaalde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dienen de eigen, redelijkerwijs te verwerven, inkomsten van de vrouw in mindering te worden gebracht omdat de vrouw daarmee in haar eigen behoefte kan voorzien.

5.13. De vrouw heeft gesteld dat zij een netto inkomen heeft van circa € 1.000,= per maand. Uit de stukken blijkt voorts dat aan de vrouw in 2016 een kindgebonden budget is toegekend van € 394,= per maand, naast een zorgtoeslag. Dat betekent dat het eigen inkomen van de vrouw ruim hoger is dan haar huwelijksgerelateerde behoefte van afgerond € 1.114,= netto per maand.

Conclusie partneralimentatie

5.14. Uit het voorgaande volgt dat de grief van de man op het punt van de partneralimentatie slaagt nu de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij haar sprake is van behoeftigheid aan enige bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Hetgeen partijen voor het overige over en weer hebben aangevoerd kan hiermee onbesproken blijven omdat zulks niet tot een andere conclusie kan leiden.

6. De slotsom

6.1. Al hetgeen hiervóór is overwogen leidt tot de slotsom dat de bestreden beschikking deels niet in stand kan blijven.

7. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 3 februari 2016, verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 25 mei 2016, voor zover het de beslissing over de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Verder lezen
Terug naar overzicht