JV 2017/80, RvS 01-02-2017, ECLI:NL:RVS:2017:210, 201606592/1/V2 (met annotatie van prof. mr. H. Battjes)

Inhoudsindicatie

Aanvraag, asiel, Marokko, Veilige derde landen, Homoseksualiteit, Richtlijn, Procedure-, Onmenselijke behandeling

Samenvatting

Veilig derde land; uitzondering voor groepen niet strijdig met Procedurerichtlijn.

De asielaanvraag is als kennelijk ongegrond afgewezen. In deze uitspraak en een andere uitspraak van dezelfde datum (ECLI:NL:RVS:2017:209) beoordeelt de Afdeling de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst.

Uit de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van de Procedurerichtlijn 2013/32/EU kan niet worden afgeleid dat een uitzondering voor een of meer groepen bij het aanwijzen van een land als veilig land van herkomst in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn.

De Afdeling sluit aan bij de conclusie (ECLI:NL:RVS:2016:2040) van de staatsraad A-G, dat het mogelijk is een land als veilig land van herkomst aan te wijzen met een uitzondering voor een of meer groepen. Uit het enkele niet opnemen in de huidige Procedurerichtlijn van een met art. 30 lid 1 en 3 van de oude Procedurerichtlijn 2005/85/EG overeenkomende bepaling, die voorziet in de uitdrukkelijke mogelijkheid om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen voor een specifieke groep, kan niet worden afgeleid dat een aanwijzing van een land als veilig land van herkomst met een uitzondering voor een bepaalde groep in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn. Dat in de Vw 2000, noch in het Vb 2000 en het VV 2000 uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid dat een land als veilig land van herkomst wordt aangewezen met een uitzondering voor een groep leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de staatsraad A-G heeft opgemerkt in punt 4.15 van zijn conclusie werkt de gemaakte uitzondering in procedureel opzicht begunstigend voor vreemdelingen die behoren tot de uitgezonderde groep, zodat daarvoor geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag nodig is.

Het betoog van de SvV&J dat hij een land als veilig land van herkomst kan aanwijzen met een uitzondering voor een vooraf duidelijk identificeerbare groep van een zekere omvang, slaagt. De omstandigheid dat de SvV&J Marokko heeft aangewezen als veilig land van herkomst met een uitzondering voor LHBT’s leidt op zichzelf dan ook niet tot de conclusie dat de regeling van 10 februari 2016 (Stcr. nr. 8083) onverbindend is. De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen over de informatiebronnen en de feitelijke en juridische situatie in Marokko heeft de Afdeling bij deze uitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:209) beantwoord. Daarmee voldoet de aanwijzing van Marokko aan de in art. 30b lid 1 sub b Vw 2000, art. 3.105ba Vb 2000 en art. 3.37f VV 2000 omschreven vereisten.

Uitspraak

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht (niet opgenomen; red.).

Bij uitspraak van 23 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht (niet opgenomen; red.).

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht (niet opgenomen; red.).

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak, ECLI:NL:RVS:2017:209, ter zitting behandeld op 16 december 2016. De vreemdeling, bijgestaan door mr. H.A. Jeuring, advocaat te Zuidhorn, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. R.A. Visser zijn verschenen.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdeling heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij door ruzie over een erfenis problemen heeft met zijn familie en daarom niet kan terugkeren naar Marokko. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) als kennelijk ongegrond afgewezen. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst en niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem niet veilig is. De rechtbank heeft de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst onverbindend verklaard en het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard.

2. Bij regeling van 10 februari 2016, nummer 732095, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: het VV 2000; Stcrt. 2016, 8083) heeft de staatssecretaris Marokko aangewezen als veilig land van herkomst. In de toelichting op die regeling staat dat Marokko wordt aangewezen als veilig land van herkomst, maar niet voor lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen en transgenders (hierna: LHBT’s). In deze uitspraak en een andere uitspraak van de Afdeling van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:209, beoordeelt de Afdeling de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst.

De uitspraken hebben daarom ook betekenis voor andere vreemdelingen uit Marokko van wie de staatssecretaris de asielaanvraag met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. In deze uitspraak gaat de Afdeling, anders dan in de hiervoor vermelde, gelijktijdig ter zitting behandelde zaak die vooral gaat over het bronnenonderzoek dat de staatssecretaris moet verrichten, in het bijzonder in op de uitzondering die de staatssecretaris bij de aanwijzing heeft gemaakt voor LHBT’s. Wat de Afdeling overweegt over het uitzonderen van één of meer groepen is ook van belang voor vreemdelingen die, zoals de vreemdeling in deze uitspraak, niet behoren tot een dergelijke groep en voor vreemdelingen uit andere landen dan Marokko die zijn aangewezen als veilig land van herkomst en waarvoor de staatssecretaris een vergelijkbare uitzondering heeft gemaakt.

3. Het wettelijk kader en de in deze uitspraak genoemde stukken uit de totstandkomingsgeschiedenis van Richtlijn 2013/32/EU (PB 2013, L 180; hierna: de huidige Procedurerichtlijn) zijn opgenomen in bijlage 1. Bijlage 2 bevat een overzicht van de stukken die de vreemdeling heeft overgelegd en de onder 6.13. genoemde stukken. Om de hiervoor onder 2. genoemde redenen over de betekenis van deze uitspraak ziet de Afdeling ook aanleiding de in hoger beroep door partijen overgelegde nadere stukken te betrekken bij de beoordeling van de grieven. De bijlagen maken deel uit van deze uitspraak.

Volgorde van behandeling

4. Eerst komt de hiervoor genoemde uitzondering voor LHBT’s aan de orde. In dat kader gaat de Afdeling in op de huidige Procedurerichtlijn en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan. De Afdeling betrekt daarbij de conclusie van staatsraad advocaat-generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven (hierna: de staatsraad advocaat-generaal) van 20 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2040, waarop partijen zich ook in deze zaak hebben beroepen. Die conclusie is genomen in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474, maar is uitdrukkelijk gevraagd en gegeven met het oog op andere zaken waarin het begrip veilig land aan de orde is. In de uitspraak van 14 september 2016 heeft de Afdeling nog onbesproken gelaten of het uitzonderen van één of meer groepen mogelijk is. In deze uitspraak zal de Afdeling deze vraag beantwoorden. Nadat de Afdeling op de huidige Procedurerichtlijn is ingegaan, behandelt zij de door de staatssecretaris aan zijn beoordeling ten grondslag gelegde informatiebronnen en de juridische en feitelijke situatie in Marokko, zoals die ook aan de orde zijn geweest in de andere uitspraak over Marokko van vandaag.

Overwegingen van de rechtbank

5. De rechtbank heeft de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst onverbindend verklaard. Daartoe heeft zij, voor zover hier van belang, overwogen dat een uitzondering, zoals de staatssecretaris die bij de aanwijzing van Marokko voor LHBT’s heeft gemaakt, niet mogelijk is onder de huidige Procedurerichtlijn. In artikel 30, eerste lid, van Richtlijn 2005/85/EG (PB 2005, L 326; hierna: de oude Procedurerichtlijn) was uitdrukkelijk voorzien in de mogelijkheid om een deel van een land als veilig aan te merken als aan de voorwaarden was voldaan van bijlage II, die identiek zijn aan de voorwaarden van bijlage I bij de huidige Procedurerichtlijn. Artikel 30, derde lid, van de oude Procedurerichtlijn stond uitdrukkelijk toe dat een lidstaat een land als veilig aanwees voor een specifieke groep van personen, althans wanneer de wetgeving van die lidstaat al in die mogelijkheid voorzag ten tijde van het aannemen van die richtlijn. De tekst van de huidige Procedurerichtlijn staat dit volgens de rechtbank niet meer toe. De rechtbank heeft overwogen dat zij het schrappen van artikel 30, eerste en derde lid, van de oude Procedurerichtlijn aldus uitlegt dat de daarin neergelegde mogelijkheid om delen van een land of groepen uit te zonderen van de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst niet langer bestaat. Zij heeft in dat kader nog gewezen op het “Commission staff working document accompanying the Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection, Impact Assessment” van 21 oktober 2009 (SEC(2009) 1376, blz. 34-35; hierna: het “Commission staff working document”).

Grieven over de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst en het verhandelde ter zitting

6. De staatssecretaris klaagt in de grieven, in hun onderlinge samenhang bezien, dat de rechtbank ten onrechte de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst onverbindend heeft verklaard. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, blijkt uit het schrappen van artikel 30, eerste en derde lid, van de oude Procedurerichtlijn niet dat de huidige Procedurerichtlijn in de weg staat aan de door hem bij de aanwijzing gemaakte uitzondering voor een vooraf duidelijk identificeerbare groep, zoals in dit geval Marokkaanse LHBT’s. De staatssecretaris voert verder aan dat Marokko, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voldoet aan de in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) en artikel 3.37f van het VV 2000 neergelegde vereisten om een land aan te wijzen als veilig land van herkomst.

Toelichting van de staatssecretaris op de uitzondering voor groep(en)

6.1. De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitzondering voor een groep recht doet aan het doel en de strekking van de huidige Procedurerichtlijn, waaraan het Vluchtelingenverdrag en het EVRM ten grondslag liggen. Hij heeft gewezen op artikel 31, tweede lid, van de huidige Procedurerichtlijn en punt 18 van de considerans daarbij, waaruit volgt dat lidstaten ervoor zorgen dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling, wat volgens de richtlijn in het belang is van zowel de lidstaten als personen die om internationale bescherming verzoeken.

6.2. Volgens de staatssecretaris blijkt noch uit de tekst noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn dat die richtlijn in de weg staat aan het maken van een uitzondering voor een groep bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst. De staatssecretaris heeft zich in dat kader op het standpunt gesteld dat uit het schrappen van artikel 30, eerste tot en met vierde lid, van de oude Procedurerichtlijn en wat daarover is opgemerkt in de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn niet volgt dat het uitzonderen van een groep op de door hem gekozen wijze in strijd is met die richtlijn. De staatssecretaris heeft in dat kader aangevoerd dat aan de door de rechtbank aangehaalde passage uit het “Commission staff working document” (blz. 35) niet de conclusie kan worden verbonden dat het uitzonderen van een groep niet mogelijk is. Ook uit de tekst van de “Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (Recast), ANNEX” van 21 oktober 2009 (COM(2009) 554 final ANNEX, blz. 15) kan dit volgens hem niet worden afgeleid. Volgens de staatssecretaris staat in die passage niets over het al dan niet toelaatbaar zijn van de uitzondering voor groepen. Een uitzondering voor een groep betekent bovendien niet dat een land in het algemeen niet als veilig land van herkomst kan worden aangewezen.

6.3. De staatssecretaris heeft in de brief van 30 november 2016, waarin hij vragen van de Afdeling beantwoordt, en ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat hij een bepaalde groep alleen uitzondert, omdat hij bij de beoordeling van een asielaanvraag van een vreemdeling die tot die groep behoort er niet op voorhand van wil uitgaan – zoals hij dat wel doet bij andere vreemdelingen uit zo’n veilig land (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474) – dat hij bij eventuele problemen de bescherming van de autoriteiten kan krijgen. Volgens de staatssecretaris is dit bijvoorbeeld het geval als de wetgeving in een land, zoals in dit geval Marokko, homoseksuele handelingen verbiedt en er signalen zijn dat die wet in een enkel geval ook is toegepast en zulke handelingen zijn bestraft. De staatssecretaris heeft toegelicht dat een uitzondering voor een groep niet betekent dat die groep in het land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging of blootstelling aan een praktijk van onmenselijke behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM. Dat kan louter uit dit voorbehoud niet worden afgeleid. Hij wijst een land overigens hoe dan ook niet aan als veilig land van herkomst als er in dat land groepen zijn waarvan vaststaat dat die een dergelijke behandeling ten deel zou vallen, aldus de staatssecretaris. Dan kan immers niet van een veilig land in de hier bedoelde zin worden gesproken, omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.37f van het VV 2000.

6.4. De staatssecretaris heeft onder verwijzing naar r.o. 3.4.2. van de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016 toegelicht dat het concept veilig land van herkomst volgens hem vooral een procedureel doel dient. Dat hij een bepaalde groep uitzondert bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst, is volgens de staatssecretaris daarbinnen evenzeer een maatregel van vooral procedurele betekenis. Asielaanvragen van vreemdelingen uit veilige landen van herkomst worden afgedaan in de versnelde asielprocedure, als neergelegd in artikel 3.109ca van het Vb 2000. Een asielaanvraag van een vreemdeling die tot een uitgezonderde groep behoort, of stelt daartoe te behoren, wordt ingevolge artikel 3.109ca, zevende lid, van het Vb 2000 niet in de versnelde procedure behandeld, maar in de algemene asielprocedure met bijbehorende rust- en voorbereidingstermijn. Dit gebeurt als na het zogenoemde gehoor veilig land van herkomst blijkt dat de vreemdeling tot die groep behoort, dan wel op dat moment niet zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat hij hiertoe niet behoort. Ook als een vreemdeling op een ander moment vóór het uitbrengen van het voornemen stelt te behoren tot de uitgezonderde groep en dit aannemelijk maakt, dan wel onvoldoende aannemelijk is dat hij daartoe niet behoort, kan hij doorstromen naar de algemene asielprocedure, zo heeft de staatssecretaris toegelicht.

6.5. De vreemdeling heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2016 aangevoerd dat uit de huidige Procedurerichtlijn en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan wél blijkt dat het maken van een uitzondering voor een groep bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst niet mogelijk is.

Beoordeling van de grief over de uitzondering voor groep(en)

6.6. De Afdeling bespreekt hieronder aan de hand van de grieven of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij een land kan aanwijzen als veilig land van herkomst met een uitzondering voor één of meer groepen. Omdat de bevoegdheid van de staatssecretaris om landen als veilig land van herkomst aan te wijzen, neergelegd in artikel 3.105ba van het Vb 2000, is ontleend aan de bij en krachtens de Vw 2000 geïmplementeerde huidige Procedurerichtlijn, is het volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van belang om de bewoordingen van de relevante bepalingen van het Unierecht en de considerans, de context en de doelstelling van die richtlijn (zie de arresten van het Hof van 3 oktober 2013, Lundberg, ECLI:EU:C:2013:631, punt 19, en 12 februari 2015, Bouman, ECLI:EU:C:2015:81, punt 31), alsook de ontstaansgeschiedenis daarvan te onderzoeken (vergelijk het arrest van het Hof van 27 november 2012, Pringle, ECLI:EU:C:2012:756, punt 135). De ontstaansgeschiedenis kan een rol spelen bij de uitleg van een richtlijn als deze eenduidig is en duidelijke aanwijzingen verschaft voor een bepaalde uitleg (vergelijk onder meer de arresten van het Hof van 13 december 1989, Genius Holding BV, ECLI:EU:C:1989:635, punt 12, en 9 maart 2010, Europese Commissie tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2010:125, punt 29). Omdat de rechtbank de onverbindendverklaring met name heeft gebaseerd op de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn zal de Afdeling eerst onderzoeken of daaruit is af te leiden dat een uitzondering mogelijk is of niet. Daarna zal aan de orde komen of de considerans, de context en de doelstelling van de huidige Procedurerichtlijn dit toelaten.

6.7. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, voorzag artikel 30, eerste lid, van de oude Procedurerichtlijn uitdrukkelijk in de mogelijkheid om een deel van een land als veilig aan te merken als aan de voorwaarden was voldaan van bijlage II, die identiek zijn aan de voorwaarden van bijlage I bij de huidige Procedurerichtlijn. Zoals de rechtbank voorts terecht heeft overwogen, stond artikel 30, derde lid, van de oude Procedurerichtlijn uitdrukkelijk toe dat een lidstaat een land als veilig land van herkomst aanwees voor een specifieke groep van personen, althans wanneer de wetgeving van die lidstaat al in die mogelijkheid voorzag ten tijde van het aannemen van die richtlijn. Deze bepaling bevatte, zoals ook toegelicht door de staatssecretaris in de brief van 30 november 2016 en ter zitting bij de Afdeling, een zogenaamde standstill-bepaling in die zin dat nationale regelingen die dateerden van vóór de inwerkingtreding van de oude Procedurerichtlijn onder bepaalde omstandigheden niet hoefden te voldoen aan de in de oude Procedurerichtlijn gestelde vereisten voor de aanwijzing van landen als veilig land van herkomst en konden worden gehandhaafd door de lidstaten.

6.8. De Nederlandse tekst van de huidige Procedurerichtlijn staat een uitzondering voor bepaalde groepen bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst weliswaar niet uitdrukkelijk toe, maar de tekst verbiedt een dergelijke uitzondering evenmin. Dit geldt ook voor de andere taalversies. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan uit het enkele niet opnemen van een met artikel 30, eerste en derde lid, van de oude Procedurerichtlijn overeenkomende bepaling in de huidige Procedurerichtlijn – en daarmee, voor zover hier van belang, de uitdrukkelijke mogelijkheid om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen voor een specifieke groep – daarom niet worden afgeleid dat het in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn om een land aan te wijzen als veilig land van herkomst met een uitzondering voor een bepaalde groep. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn, in het bijzonder COM(2009) 554 final ANNEX (blz. 15), blijkt niet dat het uitzonderen van één of meer groepen van de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst niet mogelijk is. Zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt in zijn brief van 30 november 2016 en ter zitting bij de Afdeling, blijkt uit voormeld stuk alleen dat de standstill-bepaling niet wordt opgenomen in de huidige Procedurerichtlijn. Hieruit blijkt niet meer dan de wens om nationale regelingen die dateren van vóór de inwerkingtreding van de oude Procedurerichtlijn en die niet hoefden te voldoen aan de in die richtlijn gestelde vereisten, te beëindigen. Overigens betreft het in dit geval de omgekeerde situatie van die uit de oude Procedurerichtlijn (zie ook punt 4.12 van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal). De oude Procedurerichtlijn stond immers uitdrukkelijk toe dat een lidstaat een land als veilig land van herkomst aanwees voor een specifieke groep van personen, terwijl de staatssecretaris nu een land van herkomst als veilig aanwijst met een uitzondering voor één of meer groepen.

6.9. Ook uit de door de rechtbank aangehaalde passage uit het “Commission staff working document” (blz. 34-35) kan niet worden afgeleid dat de gemaakte uitzondering ontoelaatbaar is. Zoals ook toegelicht door de staatssecretaris ter zitting bij de Afdeling, worden in voormeld document vier opties voor een nieuwe regeling over het concept veilig land van herkomst besproken. Die passage gaat niet over de uitzondering waar het hier om gaat. Bovendien kan aan een enkele opmerking daarover in de voorbereidende fase van de huidige Procedurerichtlijn in het kader van een voorstel dat uiteindelijk niet is overgenomen, niet de door de rechtbank daaraan toegekende waarde worden gehecht.

6.10. Gelet op hetgeen onder 6.8. en 6.9. is overwogen, kan uit de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van de huidige Procedurerichtlijn niet worden afgeleid dat een uitzondering voor één of meer groepen bij de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn.

6.11. Wat betreft de context en doelstelling van de huidige Procedurerichtlijn heeft de staatssecretaris terecht op artikel 31, tweede lid, en punt 18 van de considerans gewezen. Daaruit volgt dat lidstaten ervoor zorgen dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling, wat volgens de richtlijn in het belang is van zowel de lidstaten als personen die om internationale bescherming verzoeken. Dit laat het uitgangspunt van de huidige Procedurerichtlijn en het gemeenschappelijk Europees asielstelsel onverlet dat bescherming aan asielzoekers wordt geboden, tenzij zij niet te vrezen hebben voor vervolging of onmenselijke behandelingen, mede omdat zij daartegen – alsnog of opnieuw – in hun land van herkomst bescherming kunnen inroepen. Het Vluchtelingenverdrag en het EVRM liggen immers aan de basis van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, waarvan de huidige Procedurerichtlijn deel uitmaakt (zie onder meer het arrest van het Hof van 2 december 2014, A. B. en C., ECLI:EU:C:2014:2406, punt 45).

6.12. Over de aanwijzing van een land als veilig land van herkomst binnen die context en systematiek heeft de Afdeling eerder overwogen (de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474) dat die aanwijzing een maatregel is van procedurele betekenis. Het maken van een uitzondering voor een vooraf duidelijk identificeerbare groep van een zekere omvang, zoals LHBT’s uit Marokko, op basis van zorgvuldig en inzichtelijk onderzoek is dat eveneens, reeds omdat die uitzondering gevolgen heeft voor de behandelingsprocedure van de aanvraag van vreemdelingen die tot die uitgezonderde groep behoren.

Hun asielaanvragen worden immers, anders dan de aanvragen van vreemdelingen die niet tot zo’n groep behoren, onderzocht en beoordeeld binnen de gebruikelijke asielprocedure, dat wil zeggen de procedure waarbinnen de staatssecretaris ook asielaanvragen behandelt van vreemdelingen die niet afkomstig zijn uit veilige landen van herkomst. Daarmee past het uitzonderen van een bepaalde groep als hiervoor bedoeld binnen het onder 6.11. omschreven doel en de opzet van de huidige Procedurerichtlijn, en het vereiste dat – ook als een vreemdeling afkomstig is uit zo’n veilig land – elke asielaanvraag individueel beoordeeld wordt, zoals uitdrukkelijk in artikel 36, eerste lid, van de huidige Procedurerichtlijn wordt voorgeschreven.

De uitzondering voor een bepaalde groep, ook al is een land aangewezen als veilig land van herkomst, geeft er blijk van dat hetgeen algemeen bekend is over de situatie in het betreffende land van herkomst, maar ook de persoonlijke omstandigheden en achtergrond van een vreemdeling worden betrokken bij de beoordeling van de te volgen behandelingsprocedure van een asielaanvraag. Op die manier is een voor elke vreemdeling op zijn persoon toegespitst onderzoek en beoordeling van zijn asielaanvraag verzekerd (vergelijk voormeld arrest van het Hof van 2 december 2014, punten 57 en 61, en de uitspraken van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630, en 30 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3502).

Het uitzonderen van een bepaalde groep draagt daarmee bij aan het waarborgen van de door het Vluchtelingenverdrag en het EVRM – die ten grondslag liggen aan het gemeenschappelijk Europees asielstelsel in het algemeen en de huidige Procedurerichtlijn – vereiste bescherming van asielzoekers, strookt met de considerans, de context en de doelstelling van de huidige Procedurerichtlijn en past daarom binnen de doelstellingen van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel als geheel. Het maken van zo’n uitzondering is derhalve rechtmatig.

6.13. Overigens is de door de staatssecretaris gemaakte uitzondering voor LHBT’s ook in lijn met het standpunt van de United Nations High Commissioner for Refugees (hierna: de UNHCR). In dat kader wijst de Afdeling op het stuk “Improving Asylum Procedures, Comparative analysis and recommendations for law and practice” van de UNHCR van maart 2010 (blz. 65-66). Door een uitzondering te maken voor vreemdelingen die behoren tot groepen, waarvoor uit algemene informatie blijkt dat de positie zorgwekkend is, en asielaanvragen van vreemdelingen behorend tot die groepen niet in de versnelde asielprocedure te behandelen, wordt de daarin door de UNHCR gewenste zorgvuldigheid en aandacht voor de individuele beoordeling bewerkstelligd. Hiervoor vindt de Afdeling ook steun in de door de staatsraad advocaat-generaal in punt 4.14 van zijn conclusie genoemde bronnen, als de Commissie Meijers en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten. Zo heeft de Commissie Meijers in de “Note on an EU list of safe countries of origin, Recommendations and amendments” van 5 oktober 2015 de Europese Commissie aanbevolen in de huidige Procedurerichtlijn uitdrukkelijk te voorzien in een mogelijkheid om – als een land niet volledig veilig is – dat land op de Europese of nationale lijst van veilige landen van herkomst te plaatsen met een uitzondering voor één of meer specifieke groepen. Ook het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten heeft in de “Opinion concerning an EU common list of safe countries of origin” van 23 maart 2016 (blz. 22) uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de positie van minderheidsgroepen. Door een bepaalde groep uit te zonderen, geeft de staatssecretaris blijk van bijzondere aandacht voor de positie van die groep, in het licht van de algemene veiligheidssituatie in een land van herkomst. Dit betekent overigens niet dat de uitgezonderde groep in het land van herkomst te vrezen heeft voor vervolging of blootstelling aan een praktijk van onmenselijke behandelingen in de zin van artikel 3 van het EVRM.

6.14. Samenvattend, de Afdeling sluit met het voorgaande aan bij de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal dat het mogelijk is om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen met een uitzondering voor één of meer groepen. Uit het enkele niet opnemen in de huidige Procedurerichtlijn van een met artikel 30, eerste en derde lid, van de oude Procedurerichtlijn overeenkomende bepaling die voorziet in de uitdrukkelijke mogelijkheid om een land als veilig land van herkomst aan te wijzen voor een specifieke groep, kan niet worden afgeleid dat een aanwijzing van een land als veilig land van herkomst met een uitzondering voor een bepaalde groep in strijd is met de huidige Procedurerichtlijn. Dat in de Vw 2000, noch in het Vb 2000 en het VV 2000 uitdrukkelijk is voorzien in de mogelijkheid dat een land als veilig land van herkomst wordt aangewezen met een uitzondering voor een groep leidt niet tot een ander oordeel. Zoals ook de staatsraad advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 4.15 van zijn conclusie werkt de gemaakte uitzondering in procedureel opzicht begunstigend voor vreemdelingen die behoren tot de uitgezonderde groep, zodat daarvoor geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag nodig is.

6.15. Gelet op al het voorgaande slaagt het betoog van de staatssecretaris dat hij een land als veilig land van herkomst kan aanwijzen, met een uitzondering voor een vooraf duidelijk identificeerbare groep van een zekere omvang. De omstandigheid dat de staatssecretaris Marokko heeft aangewezen als veilig land van herkomst met een uitzondering voor LHBT’s leidt op zichzelf dan ook niet tot de conclusie dat de regeling van 10 februari 2016 onverbindend is. De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen over de informatiebronnen en de feitelijke en juridische situatie in Marokko heeft de Afdeling bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2017:209, beantwoord. Daarmee voldoet de aanwijzing van Marokko aan de in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, artikel 3.105ba van het Vb 2000 en artikel 3.37f van het VV 2000 omschreven vereisten.

Conclusie

6.16. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de regeling van 10 februari 2016, wat betreft de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst, onverbindend is.

6.17. De grieven slagen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen.

Beroepsgronden

8. De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat Marokko in zijn geval als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. De vreemdeling voert aan dat hij op voorhand weet dat de politie niets voor hem zal doen. In dat kader wijst hij erop dat zijn familieleden veel invloed hebben in Marokko, dat er in het verleden al slachtoffers zijn gevallen door dit familieconflict en dat hij door zijn familieleden valselijk is beschuldigd van mishandeling.

8.1. Zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016 is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat Marokko in zijn geval toch niet veilig is. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling hierin niet is geslaagd. De vreemdeling heeft voorafgaand aan zijn vertrek geen problemen gehad met de Marokkaanse autoriteiten. Zoals de staatssecretaris terecht heeft opgemerkt, kan uit de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden niet worden afgeleid dat het voor hem gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is om bescherming te vragen bij de Marokkaanse autoriteiten of andere geëigende instanties. De eerst in beroep naar voren gebrachte stelling dat zijn familieleden in Marokko veel invloed hebben, is onvoldoende. Hieruit kan zonder nadere toelichting niet worden afgeleid dat het niet mogelijk is bescherming te vragen en te krijgen. In dit kader is van belang dat de vreemdeling zelf heeft verklaard dat hij in het verleden valselijk door zijn familieleden is beschuldigd van mishandeling, maar dat hij daarvan is vrijgesproken. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom hij thans bij terugkeer geen bescherming meer van de Marokkaanse autoriteiten kan krijgen.

9. De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte een inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft uitgevaardigd. Volgens de vreemdeling wordt hij door de uitvaardiging van het inreisverbod bestraft voor het feit dat hij een asielaanvraag heeft ingediend en is de uitvaardiging van het inreisverbod disproportioneel. Ook wijst de vreemdeling erop dat hij niet kon en behoefde te weten dat Marokko een veilig land van herkomst is en daarom een inreisverbod kan worden uitgevaardigd.

9.1. Dit betoog slaagt niet. De staatssecretaris vaardigt ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000, een inreisverbod uit als een asielaanvraag van een vreemdeling, zoals in dit geval, kennelijk ongegrond wordt verklaard. Bij regeling van 10 februari 2016 heeft de staatssecretaris Marokko aangewezen als veilig land van herkomst. Hierop is de vreemdeling ook gewezen tijdens het gehoor veilig land van herkomst. Zijn stelling dat hij dit niet wist en ook niet behoefde te weten, slaagt reeds daarom niet. De staatssecretaris heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen omstandigheid heeft aangevoerd om af te zien van het opleggen van het inreisverbod, dan wel de duur hiervan te verkorten.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 augustus 2016 in zaak nr. 16/16828;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

 

Bijlage 1 - Wettelijk kader

De oude Procedurerichtlijn

Artikel 30

1. Onverminderd artikel 29 kunnen de lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage II, van andere derde landen dan de landen die op de gemeenschappelijke minimumlijst zijn opgenomen als veilige landen van herkomst. Dat kan inhouden dat een deel van een land als veilig wordt aangemerkt indien de voorwaarden van bijlage II voor dat deel zijn vervuld.

2. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving die op 1 december 2005 van kracht is, handhaven met het oog op de nationale aanmerking van andere derde landen dan de landen die op de gemeenschappelijke minimumlijst zijn opgenomen als veilige

landen van herkomst, indien zij zich ervan vergewist hebben dat personen in de betrokken derde landen over het algemeen noch zijn blootgesteld aan:

a) vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2004/83/EG, noch aan

b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

3. De lidstaten kunnen tevens wetgeving die op 1 december 2005 van kracht is, handhaven voor de nationale aanmerking van een deel van een land als veilig of een land of een deel van een land als veilig voor een specifieke groep van personen in dat land, indien de in lid 2 genoemde voorwaarden voor dat deel of die groep zijn vervuld.

4. Bij de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig de leden 2 en 3 houden de lidstaten rekening met de juridische situatie, met de toepassing van de rechtsvoorschriften en met de algemene politieke omstandigheden in het betrokken derde land.

(...)

De huidige Procedurerichtlijn

Considerans

18) Het is in het belang van zowel de lidstaten als de personen die om internationale bescherming verzoeken dat zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling.

Artikel 31

(...)

2. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling.

(...)

Artikel 36

1. Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:

a) hij de nationaliteit van dat land heeft, of

b) hij staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats

had,

en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU.

2. De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip “veilig land van herkomst”.

Artikel 37

1. De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst.

2. De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw.

3. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

4. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.

Bijlage I van de Procedurerichtlijn

Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1

Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van voornoemd Europees Verdrag zijn toegestaan;

c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève;

d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.

“Commission staff working document accompanying the Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection, Impact Assessment” van 21 oktober 2009 (SEC(2009) 1376)

4.2.5. To consolidate the application of the safe country of origin notion

Presentation of sub-policy options

Three legislative options represent different ways to reduce the ambiguousness of the current standards.

(...)

Under option 3 the list of safe countries of origin would have to be adopted and amended by the Union institutions through the co-decision procedure. This would lead to more consistent application of the notion, but limit the MS’ ability to respond quickly to developments in a safe country. The material requirements for the designation would improve, since the safety of the entire territory is a pre-condition for including a safe country in a common list. The option gives rise to proportionality concerns, since a MS would be obliged to apply the presumption of safety even if its own assessment, based on the interpretation of international obligations, differs from the opinion of the majority of MS and of the European Parliament.

(...)

“Proposal for a Directive of the European Parliament and of the Council on minimum standards on procedures in Member States for granting and withdrawing international protection (Recast), ANNEX” van 21 oktober 2009 (COM(2009) 554 final ANNEX)

Article 33

(...)

The substantive criteria for the national designation of safe countries of origin are further clarified in this Article. In essence, the amendments aim to ensure that the application of the notion is subject to the same conditions in all Member States covered by the Directive.

(...)

Secondly, the optional provision allowing Member States to apply the notion to part of a country is also deleted. The material requirements for the national designation must therefore be fulfilled with respect to the entire territory of a country.

It is further proposed to delete the stand still clauses which allow Member States to derogate from the material requirements in respect with a country or part of a country and/or to apply the notion to a specified group in that country or in part of that country.

(...)

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 30b

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien:

(...)

b) de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn;

(...)

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.

(...)

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.105ba

1. Bij ministeriële regeling kan een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

2. De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

3. Onze Minister onderzoekt de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige landen van herkomst als bedoeld in het eerste lid regelmatig opnieuw.

Artikel 3.106b

1. Een derde land kan voor een vreemdeling alleen als een veilig land van herkomst worden aangemerkt wanneer hij:

a) ofwel de nationaliteit van dat land heeft, ofwel staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had; en

b) niet heeft onderbouwd dat het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd ten aanzien van de vraag of hij voor internationale bescherming in aanmerking komt.

2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Artikel 3.109ca

1. Indien de aanvraag vermoedelijk niet-ontvankelijk zal worden verklaard met toepassing van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Wet of vermoedelijk kennelijk ongegrond zal worden verklaard met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, zijn de artikelen 3.109 en 3.110 tot en met 3.116 niet van toepassing.

2. Na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 3.108c, eerste lid, kan onderzoek plaatsvinden naar de identiteit, vingerafdrukken en nationaliteit van de vreemdeling en naar de bij hem aangetroffen of door hem overgelegde documenten en bescheiden.

3. Van de vreemdeling worden door Onze Minister een gezichtsopname gemaakt en vingerafdrukken afgenomen en opgeslagen. De vreemdeling verleent hieraan zijn medewerking.

4. De vreemdeling wordt zo spoedig mogelijk door Onze Minister aan een gehoor onderworpen. Daarbij worden vragen gesteld omtrent zijn personalia, zijn geboorteplaats en geboortedatum, zijn nationaliteit en etnische afkomst, de datum van zijn vertrek uit het land van herkomst, de datum van zijn aankomst in Nederland, eventueel verblijf in derde landen, het bezit van een paspoort en identiteitsdocumenten en de personalia en verblijfplaats van familieleden. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing van artikel 30a, eerste lid, onder a, van de Wet, wordt hij in de gelegenheid gesteld zijn standpunt uiteen te zetten over de toepassing van deze grond op zijn specifieke omstandigheden. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren met toepassing van artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wordt de vreemdeling tevens in de gelegenheid gesteld zijn asielmotieven uiteen te zetten.

5. Het afschrift van het in het vierde lid bedoelde gehoor wordt zo spoedig mogelijk ter kennis van de vreemdeling gebracht.

6. Indien Onze Minister voornemens is de aanvraag niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond te verklaren op de in het eerste lid bedoelde gronden, wordt het schriftelijk voornemen daartoe zo spoedig mogelijk aan de vreemdeling toegezonden of uitgereikt.

7. Indien na het in het vierde lid bedoelde gehoor niet voldoende duidelijk is dat kan worden besloten tot niet-ontvankelijkverklaring of tot kennelijk ongegrondverklaring op de in het eerste lid bedoelde gronden, wordt voor de verdere behandeling van de aanvraag alsnog de in paragraaf 2 van deze Afdeling beschreven procedure gevolgd.

8. De vreemdeling brengt zijn zienswijze op het in het zesde lid bedoelde voornemen schriftelijk naar voren uiterlijk binnen twee dagen na de dag waarop het voornemen is uitgereikt of toegezonden.

9. De schriftelijke zienswijze is tijdig bij Onze Minister ingediend, indien deze voor het einde van de termijn is ontvangen.

10. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat aan het geven van de beschikking niet in de weg.

11. De beschikking wordt uiterlijk op de achtste dag na het in het vierde lid bedoelde gehoor genomen en wordt bekendgemaakt door uitreiking of toezending ervan.

Voorschrift Vreemdelingen 2000

Artikel 3.37f

1. Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

2. Bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;

c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;

d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.

3. Met inachtneming van het eerste en het tweede lid zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Besluit aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij deze regeling.

Bijlage 13, behorend bij artikel 3.37f, derde lid, Voorschrift Vreemdelingen 2000 (veilige landen van herkomst)

(...)

Marokko

(...)

Bijlage 2 - Stukken die de vreemdeling heeft overgelegd en de onder 6.13. van de uitspraak genoemde stukken

1. Een rapport van Amnesty International “Morocco: The authorities must swiftly implement the recommendations of the UN Human Rights Committee” van 17 november 2016

2. Een bericht van Amnesty International “Morocco: Journalists risk imprisonment for running smartphone app training” van 28 juni 2016

3. Een bericht van Amnesty International “Morocco: Torture survivor still detained despite UN calls for his immediate release” van 31 mei 2016

4. Een rapport van Transparency International “Morocco, Whistleblowing overview” van 17 mei 2016

5. Een rapport van het U.S. Department of State” Country Reports on Human Rights Practices 2015, Morocco” van 13 april 2016

6. “Opinion concerning an EU common list of safe countries of origin” van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 23 maart 2016

7. Een rapport van Amnesty International “Report 2015/16, The state of the world’s human rights” van 24 februari 2016

8. Berichten van het Freedom House “Freedom in the world 2016, Morocco” van 27 januari 2016 en 29 juni 2016

9. Een rapport van Human Rights Watch “Morocco and Western Sahara” van januari 2016

10. “Note on an EU list of safe countries of origin, Recommendations and amendments” van de Commissie Meijers van 5 oktober 2015

11. Een rapport van de Raad van Europa “Evaluation of the partnership for democracy in respect of the Parliament of Morocco” van 8 juni 2015

12. Een bericht van Amnesty International “Shadow of impunity: Torture in Morocco and Western Sahara” van 19 mei 2015

13. Een rapport van de United Nations High Commissioner for Refugees “Improving Asylum Procedures, Comparative analysis and recommendations for law and practice” van de UNHCR van maart 2010.

Noot

1. In haar uitspraak van 14 september 2016, «JV» 2016/271 m.nt. P. Boeles, heeft de Afdeling uiteengezet hoe de veilige land van herkomst-regeling begrepen en toegepast moet worden. In deze noot bespreek ik drie kwesties waarover de Afdeling nadien uitspraak heeft gedaan: het onderzoek en de beoordeling van informatiebronnen in algemene zin (zie onder 2), het maken van een uitzondering voor bepaalde groepen (zie onder 3) en ‘bijzondere aandacht’ voor bepaalde groepen uit een overigens veilig land (zie onder 4).

2. Volgens art. 3.109ba Vb 2000, omzetting van art. 37 lid 3 van de Asielprocedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU), dient de beoordeling of een land als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt “te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties”. Rechtbank Middelburg oordeelde dat nu informatie over Marokko uit de bedoelde bronnen niet voorhanden was, de aanwijzing als veilig land van herkomst in zoverre niet aan de wettelijke eisen voldeed (Rb. ’s-Gravenhage zp Middelburg 7 oktober 2016, AWB 16/19853, r.o. 7). Rechtbank Groningen stelde in een uitspraak van 23 augustus (AWB 16/16828, r.o. 8.1) dat eiser ‘ terecht’ aanvoerde dat genoemde bronnen niet waren gebruikt, maar benadrukte vooral dat deugdelijke onderbouwing van het oordeel dat Marokko veilig is, ontbrak (r.o. 8.1 en 8.2). De Afdeling oordeelt in r.o. 5.3 van de hier opgenomen uitspraak (uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210, ve17000233), dat de staatssecretaris in elk geval moet aangeven op welke bronnen zijn oordeel stoelt, zodat de vreemdeling daartegen op kan komen. Daarbij moet hij de in art. 3.105ba lid 2 Vb 2000 genoemde bronnen betrekken, ‘voor zover beschikbaar’ (dit had de Afdeling zonder verdere toelichting ook al gesteld in haar uitspraak van 14 september 2016, r.o. 3.4.1). Die woorden staan niet in de bepaling, maar de Afdeling geeft in r.o. 5.3 twee redenen waarom de bepaling wel zo moet worden gelezen. Ten eerste ‘de tekst’. De Afdeling leest de term ‘waaronder in het bijzonder’ dus als ‘onder meer in het bijzonder’. Deze lezing is mogelijk, maar volgt niet dwingend uit de Nederlandse taalversie, en evenmin uit de Engelse (‘including in particular’), Franse (‘y compris notamment’) en zeker niet uit de Duitse (‘insbesondere’). De Afdeling geeft echter nog een tweede argument: de reden voor het ontbreken van informatie van EASO, UNHCR en dergelijke kan juist gelegen zijn in de omstandigheid dat het land in kwestie in het algemeen veilig is.

3. In een andere uitspraak van dezelfde datum (ABRvS 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:209, ve17000231) oordeelt de Afdeling dat de staatssecretaris Marokko als veilig kon aanmerken, met uitzondering van LHBTI’s (zie ro. 6.8-6.9). Ik vind de redenering van de Afdeling in dezen niet overtuigend. Met de Rechtbank Groningen in de onderliggende uitspraak van 23 augustus 2016 alsmede de op dit punt uitgebreid gemotiveerde uitspraak van Rechtbank Arnhem van 26 januari 2017 (NL 163753) denk ik dat uit de wetsgeschiedenis van de Procedurerichtlijn valt af te leiden dat een uitzondering voor groepen niet is toegestaan. De oude Richtlijn (2005/85/EG) bevatte een stand still-clausule volgens welke lidstaten veilige land van herkomst-regelingen waarin groepen waren uitgezonderd, mochten handhaven. Ik zie niet waarom we zouden moeten aannemen dat met het schrappen van deze uitzondering beoogd werd de betekenis van de term veilig land van herkomst te wijzigen (in die zin dat de uitzondering nu zou zijn geïncorporeerd, vgl. r.o. 15 van bovengenoemde uitspraak van de Rechtbank Arnhem). En zoals beide rechtbanken opmerken, blijkt dit ook geenszins uit de toelichting bij het ontwerp voor de huidige Richtlijn. De lezing van de Afdeling komt erop neer dat de Uniewetgever met de wijziging van de Richtlijn een minder geharmoniseerde toepassing van het begrip veilig land van herkomst wilde toestaan dan voorheen. Alleen dat lijkt mij al reden voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Een andere reden om het niet toelaatbaar te achten een land als veilig aan te merken onder het maken van een uitzondering voor groepen is, dat zo’n land niet ‘in het algemeen’ als veilig beschouwd kan worden (als vereist door Bijlage I bij Richtlijn 2013/32 en art. 3.37f VV 2000). Zie hierover nader mijn artikel ‘Veilige landen van herkomst. Verzwaring van de bewijslast?’, in A&MR 2016, p. 275-284.

4. In een uitspraak van 10 maart waarin de Afdeling de aanwijzing van India als veilig land van herkomst beoordeelt (nr. 201608479/1/V2, ECLI:NL:RVS:2017:641, ve17000525), komt de aanwijzing dat voor bepaalde groepen ‘verhoogde aandacht’ vereist is aan de orde. Blijkbaar is de positie van deze groepen precair, maar niet in die mate dat de veilige landen van herkomst-regeling niet op hen mag worden toegepast (zoals wel geldt voor de groepen die worden uitgezonderd, zoals LHBTI’s in Marokko). De Afdeling oordeelt dat de op zich vrij forse tekortkomingen in India (de staatssecretaris vermeldt onder meer buitengerechtelijke executies, foltering en verkrachting door politie en veiligheidsdiensten en discriminatie van minderheden) niet in de weg staan aan aanwijzing als veilig land: ‘de meeste incidenten [vonden] plaats in conflictgebieden, maar er [waren] ook elders in het land meldingen van gewelddadigheden. Het aantal meldingen van buitengerechtelijke executies is echter relatief gering en slachtoffers zijn met name (vermeende) criminelen en opstandelingen. De overige gewelddadigheden buiten de conflictgebieden hebben betrekking op (vermeende) criminelen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat India door het optreden van de politie en de veiligheidsdiensten algemeen gezien niet veilig is. Uit de brief van de staatssecretaris van 9 februari 2016 blijkt overigens ook dat hij acht heeft geslagen op de situatie van personen die te maken krijgen met strafrechtelijke vervolging, nu hij voor onder meer die groep bij de beoordeling van de individuele situatie verhoogde aandacht heeft gevraagd (ABRvS 10 maart 2017, r.o. 2.3). Wat het schenken van verhoogde aandacht moet inhouden zet de Afdeling helaas niet uiteen. Ik merk op dat er op zijn minst spanning zit tussen de constateringen van de Afdeling over het optreden van de Indiase politie en de conclusie dat het land toch als ‘in het algemeen’ veilig mag gelden. Als een land voor een groep niet als veilig kan gelden, dan is dat land toch niet ‘in het algemeen’ veilig? Hoe dat ook zij, uit de uitspraak blijkt dat de noodzaak bijzondere aandacht aan bepaalde groepen te schenken niet betekent dat het land voor die groepen niet als in het algemeen veilig kan gelden.

5. Een kwestie waarover de Afdeling zich nog niet heeft uitgelaten is of naast een uitzondering voor een bepaalde groep, ook een territoriale uitzondering gemaakt mag worden – dus of de aanwijzing van Oekraïne met als uitzondering de gebieden waar gestreden wordt toelaatbaar is. Gezien het bovenstaande valt te verwachten dat de Afdeling een dergelijke uitzondering toelaatbaar zal achten.

prof. mr. H. Battjes, Hoogleraar Europees asielrecht, Vrije Universiteit Amsterdam

Terug naar overzicht