Kantonrechter Alkmaar 13-01-2003 (Schlingemann), JAR 2003, 43


Opzegtermijn.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 43.

De werknemer is op 1 maart 2000 bij de werkgever in dienst getreden. Bij brief van 18 oktober 2002 heeft de werkgever met toestemming van de CWI de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 december 2002. In de arbeidsovereenkomst tussen partijen was bepaald dat de arbeidsovereenkomst tussentijds kan worden beëindigd met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven opzegtermijnen, zijnde twee maanden in de situatie van opzegging door de werknemer en drie maanden bij opzegging door de werkgever. De werknemer stelt dat deze opzegtermijn nietig is omdat, nu voor hem een termijn van twee maanden geldt, de termijn van de werkgever vier maanden moet bedragen in plaats van drie. Ingevolge het ontslag via de CWI kan die termijn met een maand worden gekort en dus had de werkgever een opzegtermijn van drie maanden, eindigend op 1 februari 2003, in acht moeten nemen. De werkgever stelt dat niet alleen de opzegtermijn van drie maanden nietig is, maar de gehele bepaling. Daarom zou hij slechts gehouden zijn de wettelijke opzegtermijn in acht te nemen, hetgeen hij heeft gedaan. De kantonrechter volgt het standpunt van de werkgever. De door partijen overeengekomen opzegtermijnen zijn in strijd met het systeem van art. 7:672 BW en daardoor nietig. In plaats daarvan gelden de termijnen, zoals die worden berekend op grond van de leden 1 tot en met 4 van dat artikel, hetgeen in dit geval neerkomt op een opzegtermijn van één maand voor zowel de werkgever als de werknemer. De werknemer beroept zich ten onrechte op de afwijking van dit systeem in lid 6, dat een verlenging voor de werknemer slechts toestaat als de opzegtermijn voor de werkgever minstens tweemaal zo lang is. Nu dat laatste niet het geval is, is het gevolg slechts dat een verlenging van de termijn voor de werknemer niet is toegestaan en niet, zoals de werknemer heeft betoogd, dat die voor de werkgever wordt verdubbeld.

Terug naar overzicht