Kantonrechter Alkmaar 16-01-2002 (Schlingemann), JAR 2002, 51


Kennelijk onredelijk ontslag (oudere werknemer). Schadeloosstelling (kantonrechtersformule).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 51.

Een werkgever heeft met toestemming van de RDA de dienstbetrekking met de werkneemster - 58 jaar oud, 17 jaar in dienst als boekhoudkundig medewerkster, salaris NLG 3.884,40 bruto per maand - opgezegd per 31 mei 2000 wegens beëindiging van de ondernemingsactiviteiten. De werkneemster stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is vanwege het ontbreken van een vergoeding. Tijdens de procedure heeft de werkgever nog een bescheiden vergoeding aangeboden. De kantonrechter is van mening dat de gevolgen van het ontslag voor de werkneemster te ernstig zijn vergeleken met het belang van de werkgever bij de beëindiging, gelet op de mogelijkheden voor de werkneemster - mede gezien haar medische situatie en haar opleidingsen arbeidsverleden - om ander passend werk te vinden, haar leeftijd, de duur van het dienstverband en haar inkomenspositie. Het ontslag is daarom kennelijk onredelijk. De tijdens de procedure aan de werkneemster aangeboden vergoeding doet daar niet aan af, nu de kennelijke onredelijkheid van het ontslag beoordeeld moet worden naar de op de datum van de opzegging bestaande situatie en de vergoeding bovendien ontoereikend is, nu deze neerkomt op betaling van circa zes bruto maandsalarissen. Naar het oordeel van de kantonrechter hebben de art. 7:681 BW en 7:685 BW elkaar door de rechtsontwikkeling zo dicht benaderd dat van een relevant verschil ten aanzien van het toekennen en de omvang van vergoedingen niet langer gesproken kan worden. Daarom zal met betrekking tot de hoogte van de aan de werkneemster toe te kennen (schade-)vergoeding aansluiting gezocht worden bij de kantonrechtersformule. De kantonrechter stelt de vergoeding vervolgens vast op NLG 126.000,-- (€ 57.176,31) bruto.

Terug naar overzicht