Kantonrechter Almelo 27-05-2003 (Van Rhijn), KG 2003, 171


Concurrentiebeding. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

De arbeidsovereenkomst van een 40-jarige calculator/projectmanager (ruim vijf jaar in dienst, salaris € 2.530,-- bruto per maand) wordt ontbonden met een vergoeding van € 27.000,-- bruto. De kantonrechter heeft daarbij overwogen dat de werknemer een forse inkomensschade lijdt als gevolg van een zwaarwegend concurrentiebeding dat twee jaar geldt, gedurende welke periode de werknemer moeilijk een gelijkwaardige functie zal kunnen vinden. Thans vordert de werknemer bij voorlopige voorziening schorsing van het concurrentiebeding, stellende dat hij daardoor onbillijk wordt benadeeld en dat bovendien zijn functie is gewijzigd. Onder verwijzing naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 01-03-2002, Guérand/PTT, RvdW 2002, 52, JOL 2002, 142, NJ 2003, 211, JAR 2002, 67, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 2002, blz. 252) stelt de kantonrechter dat een van de criteria voor een vordering van een werknemer na beëindiging van de arbeidsovereenkomst is, dat de vordering is ontstaan tijdens de arbeidsovereenkomst en dat de aanspraken betrekking hebben op een periode voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Bovendien mag de vordering geen verband houden met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst respectievelijk de gevolgen daarvan. In dit geval is er een hogere vergoeding toegekend als gevolg van het instandblijven van het concurrentiebeding. De kantonrechter acht dan ook waarschijnlijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de omvang van de ontbindingsvergoeding verband houdt met de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat de vordering van de werknemer ex art. 7:653 BW niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De kantonrechter wijst de vordering af.

Verder lezen
Terug naar overzicht