Kantonrechter Alphen a/d Rijn 09-04-2002 (Hage), Prg. 2002, 5877


Concurrentiebeding. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer.

Een bijna 55-jarige werknemer (27 jaar in dienst als vertegenwoordiger, salaris € 3.175,-- bruto per maand) verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van € 123.881,99 en opheffing van het concurrentiebeding. De werknemer heeft al eerder laten weten te gaan solliciteren om bij een andere werkgever te gaan werken, hetgeen hij tijdens zijn vakantie ook heeft gedaan. De werknemer durft echter niet op te zeggen, omdat de werkgever hem aan zijn concurrentiebeding houdt. Hij meldt zich ziek en verzoekt thans ontbinding van de arbeidsovereenkomst, omdat hij zich de laatste jaren onheus bejegend voelt. De kantonrechter is van oordeel dat uit de overgelegde correspondentie blijkt dat in goed overleg afspraken zijn gemaakt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Van een verstoorde arbeidsverhouding is niet gebleken. Nu de door de werknemer gemaakte verwijten door de werkgever zijn weersproken en het verweer niet door de werknemer is bestreden, is er geen sprake van veranderde omstandigheden en dient het verzoek te worden afgewezen. Met betrekking tot de opheffing van het concurrentiebeding stelt de kantonrechter dat deze vordering thuishoort in een dagvaardingsprocedure en als zodanig zal worden voortgezet. Omdat partijen het kennelijk niet eens worden over de voorwaarden waaronder het concurrentiebeding zal worden opgeheven, verwijst de kantonrechter de zaak naar de rol. Voorlopig is de kantonrechter van oordeel dat van de werkgever mag worden verwacht dat hij het concurrentiebeding zodanig beperkt dat de werknemer bij de andere werkgever in dienst kan treden. Aan de hand van de uitkomst van deze procedure kan de werknemer alsnog beslissen of hij de arbeidsovereenkomst zal opzeggen. De kantonrechter veroordeelt de werknemer in de kosten.

Terug naar overzicht