Kantonrechter Amsterdam 01-11-2000 (Van Andel), JAR 2000, 252


Proeftijd. CAO.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 252.

De arbeidsovereenkomst (van een half jaar, salaris NLG 16,17 bruto per uur) van een schoonmaker wordt tussentijds beëindigd. De schoonmaker treedt aansluitend in dienst bij een ander schoonmaakbedrijf en blijft werkzaam op hetzelfde project. Op de arbeidsovereenkomst, die niet schriftelijk is overeengekomen, is de CAO van toepassing. Ruim een maand later wordt de werknemer ontslagen in de proeftijd. De werknemer stelt dat de proeftijd in strijd met art. 7:652 lid 2 BW niet schriftelijk is overeengekomen en vordert doorbetaling van loon. De kantonrechter is het niet eens met de werknemer omdat blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wet Flexibiliteit en zekerheid de minister uitdrukkelijk heeft bevestigd dat een proeftijdbeding ook bij CAO kan worden overeengekomen. Ook zonder deze bevestiging zou de proeftijd bij CAO kunnen worden overeengekomen omdat de schriftelijke vorm van het beding (anders dan het concurrentiebeding ex art. 7:653 BW) niet nader is uitgewerkt. Aangezien hieraan geen beperking is gegeven kan de conclusie slechts zijn dat een proeftijdbeding bij CAO kan worden overeengekomen. Met de werkgever is de kantonrechter van mening dat er geen sprake is van een voortgezet dienstverband.

Terug naar overzicht