Kantonrechter Amsterdam 02-07-2002 (Tan), JAR 2002, 212


Anciënniteitsbeginsel. Ontbinding gewichtige redenen.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 212.

De werknemer, 24 jaar oud, is op 4 maart 1996 bij de werkgever in dienst getreden als account manager (medewerker particulier). De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst omdat de arbeidsplaats van de werknemer zou zijn komen te vervallen. De werkgever heeft wegens tegenvallende resultaten besloten tot een reorganisatie waardoor 20% van het personeel, zijnde 15 arbeidsplaatsen, kwamen te vervallen. De Raad van Commissarissen heeft met het reorganisatieplan ingestemd. De werkgever heeft op 26 april 2002 het personeel ingelicht. Vervolgens hebben de directeuren gesproken met de werknemers die volgens het plan moeten afvloeien. Aan de werknemer is daarbij een vergoeding van zes maandsalarissen aangeboden. De werknemer stelt dat de werkgever te snel tot reorganisatie is overgegaan zonder andere alternatieven te onderzoeken. Er is geen overleg met of inspraak van het personeel geweest. Verder voert de werknemer aan dat er vijf werknemers zijn die in dezelfde dan wel een uitwisselbare functie met die van hem werkzaam zijn en die korter bij de werkgever in dienst zijn, maar niet zijn genomineerd voor vertrek. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij met de keuze om de werknemer te laten afvloeien het anciënniteitsbeginsel op juiste wijze in acht heeft genomen. De werkgever heeft niet ontkend dat de vijf door de werknemer genoemde collega's dezelfde of uitwisselbare functies vervullen. Hij heeft echter geen argumenten aangevoerd waarom deze medewerkers niet voor afvloeiing in aanmerking komen in plaats van de werknemer. In de gegeven omstandigheid dat de werkgever een, wettelijk voor hem verplichte, ondernemingsraad ontbeert en het reorganisatiebesluit alleen door de directie en het managementteam is genomen zonder enige inspraak of overleg met de andere werknemers, had de werkgever duidelijk en gemotiveerd moeten toelichten hoe en waarom hij heeft bepaald welke werknemers moesten afvloeien. Nu hij dit heeft nagelaten, kan de gemaakte keuze niet naar behoren worden getoetst. Het ontbindingsverzoek is daarom niet toewijsbaar.

Terug naar overzicht