Kantonrechter Amsterdam 03-02-2003 (Rip), KG 2003, 115, JAR 2003, 56


Bepaalde tijd. Ontbindende voorwaarde. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 56.

De werkneemster is op 1 november 2001 bij de werkgever in dienst getreden als groepsleidster. In de arbeidsovereenkomst is bepaald dat de overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van de SPW-3 opleiding en dat deze van rechtswege eindigt op de dag van beëindiging van de opleiding, doch uiterlijk op 1 augustus 2003. Na diplomering wordt de arbeidsovereenkomst omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkneemster is sinds 27 maart 2002 op psychische gronden volledig arbeidsongeschikt. Zij is gedurende negen maanden in een verpleeginrichting opgenomen geweest. Per 1 oktober 2002 heeft de opleidingsinstantie ROC de werkneemster uitgeschreven. De werkgever heeft zich op het standpunt gesteld dat daarmee de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De werkneemster vordert doorbetaling van loon en tewerkstelling vanaf het moment dat zij weer hersteld zal zijn. De kantonrechter is van oordeel dat de werkgever in strijd met de redelijkheid en billijkheid handelt door zich jegens de werknemer te beroepen op het feit dat zij als leerling door het ROC is uitgeschreven. De werkgever was op de hoogte van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster en de aard daarvan. Het kan niet zo zijn dat de arbeidsovereenkomst als beëindigd beschouwd kan worden bij ziekte van de werknemer/leerling. Het feit dat een arbeidsovereenkomst soms wordt gesloten voor bepaalde tijd met als doel het risico voor de werkgever van een zieke werknemer te beperken, doet daar niet aan af. Van de werkneemster behoefde op het moment dat zij ernstige psychische klachten had, niet verwacht te worden dat zij adequaat optrad in verband met de door haar gevolgde opleiding. Het had integendeel op de weg van de werkgever gelegen om de werkneemster bij een en ander te hulp te schieten. Hoe dan ook leidt de omstandigheid dat de werkneemster arbeidsongeschikt is geraakt, niet tot de beëindiging van het dienstverband. De vorderingen van de werkneemster zijn daarom toewijsbaar.

Terug naar overzicht