Kantonrechter Amsterdam 03-08-2001 (Ulrici), JAR 2001, 202


Concurrentiebeding. Boetebeding (niet nietig).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 202.

De werkneemster is op 1 december 1993 bij de werkgever in dienst getreden. Per 1 juli 1996 is zij aangesteld als Zelfstandig Merken- en Modellenadviseur, ook wel vrije gemachtigde genoemd. Tussen partijen is een concurrentiebeding overeengekomen dat inhoudt dat het de werkneemster niet is toegestaan om binnen zes maanden na het beëindigen van het dienstverband werkzaam te zijn bij een bedrijf dat evenals de werkgever tussenkomst verleent bij registraties in merken- en modellenregisters. Naast de werkgever zijn er in de regio nog twee bedrijven die vergelijkbaar werk uitvoeren. De werkneemster heeft haar arbeidsovereenkomst met de werkgever met ingang van 1 juni 2001 opgezegd om bij één van deze bureaus in dienst te treden. Zij stelt haar positie daar te kunnen verbeteren. Thans verzoekt zij schorsing van het concurrentiebeding en subsidiair betaling aan haar van een vergoeding indien het niet geschorst wordt. De kantonrechter is van oordeel dat handhaving van een concurrentiebeding alleen gerechtvaardigd is indien er een gerede vrees bestaat dat de werknemer in zijn nieuwe baan door zijn bij de werkgever opgedane kennis van bedrijfsgeheimen en de in een reeks van jaren opgebouwde cliëntencontacten zijn werkgever oneerlijke concurrentie aandoet. In het onderhavige geval is vast komen te staan dat de werkneemster over dusdanige bijzondere kennis beschikt dat zij de werkgever oneerlijk zou kunnen beconcurreren. De werkneemster is betrokken bij relatiebeheer, heeft contact met (potentiële) cliënten en onderhoudt gedurende meerdere jaren op regelmatige basis contact met haar cliënten. Daarbij komt dat haar praktijkgroep door het vertrek van twee secretaresses en een lid van het Management Team naar hetzelfde bureau als waar de werkneemster heen wil toch al extra kwetsbaar is. Van belang is verder dat niet is gebleken van een beleidswijziging in negatieve zin bij de werkgever en evenmin dat de werkneemster zich bij het andere bureau substantieel zou kunnen verbeteren. Verder is er op de arbeidsmarkt voldoende ander werk voorhanden voor de werkneemster. Eén en ander brengt mee dat de vorderingen niet toewijsbaar zijn

Terug naar overzicht