Kantonrechter Amsterdam 03-11-1999, JAR 1999, 260 (Dantuma)


Wederzijds goedvinden (ontslagname). Ziekte. Ongewenste intimiteiten. Goed werkgeverschap. Schorsing.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 260.

Een werkneemster, anderhalf jaar in dienst als marketing manager (salaris NLG 8.029,25 bruto per maand) wordt arbeidsongeschikt, volgens haar zeggen als gevolg van de wijze waarop haar directe chef haar heeft bejegend. Op aanraden van de Arbo-arts vindt een gesprek plaats met deze chef en de bedrijfsmaatschappelijk werkster. De werkneemster stelt dat dit gesprek niet op arbeidsbemiddeling was gericht, maar dat zij onder druk werd gezet en toen ontslag heeft genomen. Zij vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon en tewerkstelling na hersteldverklaring. De werkgever stelt dat de werkneemster bewust ontslag heeft genomen omdat zij haar ontslagbrief in drievoud naar het gesprek had meegenomen. De kantonrechter overweegt dat gezien de nadelige gevolgen voor de werknemer aan ontslagname hoge eisen moeten worden gesteld, temeer indien de werknemer arbeidsongeschikt is. Er moet sprake zijn van een duidelijke, ondubbelzinnige wilsverklaring en afhankelijk van de omstandigheden rust op de werkgever een min of meer zware onderzoeksplicht. De kantonrechter is van oordeel dat ten aanzien van de wilsverklaring nader medisch onderzoek noodzakelijk is, hetgeen in het kader van een bodemprocedure zou kunnen plaatsvinden. Met betrekking tot de onderzoeksplicht stelt de kantonrechter dat de bespreking bedoeld was als stap tot werkhervatting en dat de werkneemster in de gelegenheid zou worden gesteld haar grieven ten aanzien van haar chef te uiten. Zij verweet deze chef, die bij die bespreking aanwezig was, intimiderend, vrouw-onvriendelijk en seksistisch gedrag. Van belang hierbij is de aanwezigheid van de bedrijfsmaatschappelijk werkster, die als taak heeft als klankbord te fungeren en met de werkneemster naar een oplossing te zoeken. De kantonrechter vraagt zich af of zowel de directe chef als de bedrijfsmaatschappelijk werkster voldoende professioneel hebben gehandeld door de ontslagbrief aan te nemen. Het is niet onaannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat zij het gesprek hadden moeten beëindigen toen de werkneemster op ontslagname koerste. Op grond van goed werkgeverschap hadden zij de werkneemster wellicht moeten adviseren rechtshulp te zoeken. De kantonrechter acht de ontslagname voorshands niet geldig en veroordeelt de werkgever tot doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging van 25% en tot tewerkstelling zodra de werkneemster weer arbeidsgeschikt is, op verbeurte van een boete van NLG 3.000,-- per dag met een maximum van NLG 150.000,--.

Terug naar overzicht