Kantonrechter Amsterdam 04-12-2001 (Dantuma), JAR 2002, 35


Concurrentiebeding (schending geheimhoudingsplicht).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 35.

De werknemer, internist, is bij de werkgever in dienst geweest als medical research project manager. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door de kantonrechter ontbonden per 1 juli 1999. De werknemer hield zich bezig met een studie waarbij een nieuw geneesmiddel voor hartpatiënten getest werd. In 1998 is hiertoe een protocol opgesteld. In november 1998 is een nieuwe hoofdverantwoordelijke aangesteld voor de studie. Deze heeft laten weten wijziging van het protocol wenselijk te achten. De werknemer heeft hiertegen en met name tegen de verlaging van de dosering van de medicijnen bezwaren geuit omdat dit naar zijn mening gezondheidsrisico's voor patiënten zou inhouden. Op 30 mei 1999 heeft de werknemer een brief verzonden aan de medisch ethische commissies in Groot-Brittannië, Frankrijk en Duitsland die betrokken waren bij de studie. Deze brief heeft geleid tot opschorting van de uitvoering in Frankrijk en Duitsland en daarmee, zo stelt de werkgever, tot groot financieel nadeel aan zijn kant. Hij stelt dat de werknemer door deze handelwijze ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst. Hij vordert vergoeding van de schade die hij daardoor stelt te hebben geleden. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer door het verzenden van de brief onmiskenbaar de in zijn arbeidscontract opgenomen geheimhoudingsverplichting heeft genegeerd. Daarmee staat in beginsel vast dat de werknemer verwijtbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn arbeidsovereenkomst. De vraag komt vervolgens aan de orde of de werknemer een beroep toekomt op een rechtvaardigingsgrond. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. De werknemer heeft niet aangevoerd en/of bewezen dat sprake was van een (nood)situatie waarin het verzenden van de gewraakte brief op dat moment de enige en een redelijke optie was. Integendeel, de werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij voldoende professioneel met het (wetenschappelijk) verschil van inzicht rond de studie is omgegaan. Ook is niet gebleken dat de werkgever de werknemer onvoldoende prudent tegemoet is getreden. Laakbaar is ook dat de werknemer de werkgever niet heeft geïnformeerd over inhoud en verzending van de brief. Dit alles brengt mee dat de werknemer de schade die de werkgever heeft geleden zal moeten vergoeden, één en ander nader op te maken bij staat.

Terug naar overzicht