Kantonrechter Amsterdam 08-09-2003 (Van der Hoek), JAR 2003, 230


Bewijs. Dringende reden. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 230.

De werkgever verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst van de werknemer, 26 jaar oud, ruim vier jaar in dienst (salaris € 2.059,36 netto per maand), laatstelijk als verkoopspecialist. De werkgever stelt daartoe dat zich veelvuldig georganiseerde winkeldiefstal voordeed in het filiaal waar de werknemer werkte. In mei 2003 heeft de werkgever een anonieme telefonische melding binnen gekregen dat een aantal jongens in groepsverband zonder betaling in sporttassen winkelwaren meenamen. Uit onderzoek bleek dat de normale beveiligingscamera's wel werkten, maar dat de videorecorder waarop de camerabeelden werden opgenomen gedurende korte tijd was stilgezet. De werkgever heeft vervolgens besloten een onderzoek te laten uitvoeren door een extern bureau. Dit bureau heeft verborgen camera's geplaatst. Uit de hiermee gemaakte opnamen bleek dat de werknemer op drie momenten de videorecorder heeft uitgezet. Uit de beelden gemaakt met een andere videorecorder bleek dat de werknemer contact maakte met een groep jongens, dat die jongens direct daarop een groot aantal winkelwaren in tassen stopten en dat zij vervolgens zonder betaling de winkel verlieten. Daarop zette de werknemer de videorecorder weer aan. Uit een verklaring van een andere werknemer blijkt dat een groep jongens regelmatig in de winkel kwam en dan steeds naar de werknemer vroeg. De werknemer ontkent de hem verweten gedragingen. De kantonrechter acht het, aan de hand van de ter zitting vertoonde videobeelden en de verklaring van de collega, voldoende aannemelijk gemaakt dat de werknemer medewerking heeft verleend aan georganiseerde winkeldiefstallen. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden. De opnamen met de geheime camera's zijn niet onrechtmatig, nu er een concrete aanwijzing was van georganiseerde diefstallen. De werkgever heeft toekenning aan hem van een vergoeding verzocht, te bepalen aan de hand van C=1 dan wel, subsidiair, te stellen op het bedrag van de factuur die hij aan het onderzoeksbureau heeft voldaan (€ 3.478,37). De kantonrechter acht het subsidiaire verzoek redelijk, gelet op de verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer, en kent daarom aan de werkgever een vergoeding toe van € 3.478,37.

Terug naar overzicht