Kantonrechter Amsterdam 09-08-2002 (Van der Linde), Prg. 2003, 6018


Buitenlandse werknemer. Kennelijk onredelijk ontslag. Ontslag op staande voet. Schorsing.

Een 33-jarige Amerikaanse bankier, vier jaar in dienst bij de ABN AMRO, eerst in Londen en Amsterdam en later in Frankfurt am Main, wordt geschorst op grond van disfunctioneren. Er wordt hem een andere baan aangeboden in Oezbekistan, die hij weigert omdat hij die niet passend vindt. Als er geen overeenstemming wordt bereikt, stelt de werkgever voor de arbeidsovereenkomst te ontbinden met een vergoeding conform de neutrale kantonrechtersformule. Als de werknemer het voorstel zou afwijzen dient hij zich bij de werkgever te melden voor het werk in Oezbekistan. Ondanks diverse oproepen daartoe, verschijnt de werknemer niet, waarop hij op staande voet wordt ontslagen. De werknemer stelt een vordering in wegens kennelijk onredelijk ontslag, temeer omdat er geen afvloeiingsregeling is getroffen. De kantonrechter overweegt, dat de vraag of de gevolgen van het ontslag voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever, samenhangt met de vraag of er sprake is van een dringende reden. Hierbij is van belang dat de werknemer zich had verbonden om overal ter wereld tewerkgesteld te worden. Bovendien kan van de aangeboden functie niet worden gezegd dat deze niet passend is. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat de opdracht om in Oezbekistan te gaan werken redelijk was en dat gezien de hardnekkige weigering van de werknemer, van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kon worden de arbeidsovereenkomst voort te zetten. De werknemer heeft aldus de werkgever een dringende reden voor ontslag op staande voet gegeven en is er dus geen sprake van kennelijke onredelijke opzegging. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht