Kantonrechter Amsterdam 10-04-2002 (Marres), JAR 2002, 122


Gefixeerde schadevergoeding (verschuldigd door werknemer). Opzegtermijn. Verrekening.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 122.

De werknemer is van 1 januari 1999 tot 1 januari 2001 bij de werkgever in dienst geweest. Hij stelt dat de werkgever geen passende eindafrekening heeft verstrekt en vordert dat dit alsnog gebeurt. De werkgever beroept zich op verrekening met de door de werknemer niet in acht genomen opzegtermijn. De werknemer stelt dat de werkgever ermee heeft ingestemd dat hij de opzegtermijn niet in acht zou nemen. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer en zijn collega het initiatief hebben genomen tot de beëindiging en dat de werkgever heeft gezegd dat voor hen geen opzegtermijn gold. Uit een in de procedure overgelegde verklaring van de adviseur en broer van de werkgever die bij het gesprek aanwezig was blijkt evenwel dat de werkgever dit weliswaar heeft gezegd, maar dat deze opmerking betrekking had op de situatie dat partijen overeenstemming zouden bereiken over een freelance-contract waarover zij in onderhandeling waren en dat direct in aansluiting op de arbeidsovereenkomst had moeten ingaan. Nu over dat freelance-contract geen overeenstemming is bereikt, kan de werknemer zich niet op genoemde toezegging beroepen. Hij had de wettelijke opzegtermijn in acht moeten nemen. Het feit dat de werkgever niet direct heeft gezegd dat hij niet instemde met onmiddellijke ontslagneming leidt niet tot een ander oordeel. Degene die op onregelmatige wijze opzegt, moet de consequenties daarvan dragen. Eén en ander betekent dat de werknemer de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is. Deze valt weg tegen zijn vordering tot betaling van de eindafrekening. Dat betekent dat de werknemer niets meer te vorderen heeft.

Terug naar overzicht