Kantonrechter Amsterdam 11-02-2000 (Ulrici), JAR 2000, 166


Afroepovereenkomst. Gezagsverhouding. Bepaalde tijd. CAO. Loon. Ziekte. Bereidheid bedongen arbeid.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 166.

Een student werkt als taxichauffeur op oproepbasis en vordert, bij wege van voorlopige voorziening, tijdens ziekte doorbetaling van loon op basis van de gemiddelde verdiensten van de afgelopen drie maanden, stellende dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter acht geen arbeidsovereenkomst aanwezig nu er geen verplichting bestond om arbeid aan te bieden of aan een oproep gehoor te geven en het niet beschikbaar zijn om te werken zonder consequenties bleef. Ook de aard van de werkzaamheden, de tekst van de overeenkomst, de CAO en de manier van uitbetalen en oproepen worden door de kantonrechter in het voorlopige oordeel betrokken. Het feit dat de student wellicht min of meer gedurende drie maanden regelmatig dezelfde diensten draaide is niet van belang. Alleen wanneer aan een oproep gevolg werd gegeven ontstond, voor de duur van het werk, een overeenkomst voor bepaalde tijd, waarbij volgens de CAO de verlengingsregel van art. 7:668a BW voor oproepkrachten is uitgesloten. Een en ander impliceert dat, volgens de CAO, art. 7:628 BW kon worden en is uitgesloten, zodat er tijdens ziekte geen aanspraak op doorbetaling van loon bestaat. Voorafgaande aan de ziektemelding had de student al medegedeeld voorlopig niet meer beschikbaar te zijn en de kantonrechter overweegt dat zonder ziek te zijn hij geen recht op betaling over de uren had welke hij niet heeft gewerkt omdat hij op eigen verzoek niet meer is opgeroepen en tijdens ziekte wordt dat vervolgens niet anders.

Terug naar overzicht