Kantonrechter Amsterdam 13-04-2000 (Scholten), President Rechtbank Amsterdam 30-03-2000 (Branbergen), JAR 2000, 113


Concurrentiebeding. Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 113.

Een 31-jarige werknemer, drie jaar in dienst bij een adviesbureau, salaris NLG 11.000,-- bruto per maand (exclusief bonus, die voor 1999 NLG 100.000,-- bedroeg) geeft na overname van de aandelen van het bedrijf, te kennen zijn arbeidsovereenkomst te willen beëindigen. De werknemer stelt dat de toezegging is gedaan dat hij in de toekomst in de directie zou worden opgenomen en dat dit vooruitzicht nu is verstoord door overname van de aandelen. De werkgever gaat akkoord en stelt de werknemer onmiddellijk op non-actief. De werknemer verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 400.000,-- netto en NLG 99.276,-- bruto. De werknemer vordert in kort geding vernietiging respectievelijk schorsing respectievelijk matiging van het concurrentiebeding, dan wel een vergoeding op grond van art. 7:653 lid 4 BW. De president is het niet eens met de werknemer dat het concurrentiebeding, destijds opgenomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, haar werking in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft verloren omdat niet aan het schriftelijkheidsvereiste zou zijn voldaan. De vordering met betrekking tot de schorsing van het concurrentiebeding en boetebeding respectievelijk tot vergoeding van de schade, dienen volgens de president mede beoordeeld te worden in samenhang met behandeling van het ontbindingsverzoek door de kantonrechter. In dit stadium is geen aanleiding hierop vooruit te lopen. De president weigert de gevraagde voorziening. De kantonrechter overweegt dat de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden, echter zonder vergoeding. De beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan de werkgever niet worden verweten en niet aannemelijk is gemaakt dat een andere toezegging is gedaan dan het aanbieden van een juniorpartnership. In deze procedure zonder de mogelijkheid van hoger beroep en met beperkte bewijsmogelijkheden kan geen verklaring voor recht worden gegeven omtrent het concurrentiebeding. De werknemer zal alsnog hoger beroep tegen het vonnis van de president moeten instellen of een bodemprocedure bij de kantonrechter moeten starten. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst zonder vergoeding.

Terug naar overzicht