Kantonrechter Amsterdam 13-12-2001 (De Jong Schouwenburg), JAR 2002, 2


Bepaalde tijd (Opvolgende arbeidsovereenkomsten voor). CAO (overgangsrecht Flex en zekerheid).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 2.

De werkneemster is van 22 januari tot 8 juli 1996 bij de werkgever werkzaam geweest als uitzendkracht. Vanaf 1 augustus 1996 tot 1 augustus 1998 heeft zij gewerkt op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Van 1 november 1998 tot 1 november 2000 hebben partijen wederom een arbeidsovereenkomst voor de duur van twee jaar gesloten. Deze overeenkomst is met één jaar verlengd tot 1 november 2001. De werkgever heeft de werkneemster meegedeeld dat de laatste overeenkomst niet verlengd zal worden. De werkneemster stelt evenwel dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, die derhalve niet rechtsgeldig is beëindigd. De werkgever betwist dit onder verwijzing naar de toepasselijke CAO waarin is bepaald dat binnen de periode van drie jaar eenmaal een verlenging van de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is toegestaan, zonder dat opzegging noodzakelijk is. De kantonrechter overweegt, onder verwijzing naar art. 7:668a BW en het overgangsrecht flex en zekerheid dat bepaalt dat art. 7:668a BW eerst van toepassing is indien een lopende arbeidsovereenkomst na 1 januari 1999 wordt verlengd, dat de arbeidsovereenkomst die is aangegaan op 1 november 2000 is gaan gelden voor onbepaalde tijd, en wel vanaf 1 augustus 1996. Tussen het einde van deze eerste arbeidsovereenkomst per 1 augustus 1998 en de arbeidsovereenkomst die is ingegaan op 1 november 1998 ligt namelijk geen tussenpoos van meer dan drie maanden én de eerste twee arbeidsovereenkomsten hebben samen meer dan drie jaar geduurd. Dat betekent dat met het sluiten van de overeenkomst d.d. 1 november 2000 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan (verlenging van een arbeidsovereenkomst van langer dan drie jaar). Daar doet de door de werkgever genoemde CAO-bepaling niet aan af, nu deze aldus moet worden uitgelegd dat de werkgever zich verbonden heeft om ook een korter durende arbeidsovereenkomst dan drie jaar slechts eenmaal te verlengen en daarbij binnen de drie jaar termijn te blijven. Deze bepaling maakt derhalve geen verlenging mogelijk die de drie jaar overschrijdt.

Verder lezen
Terug naar overzicht