Kantonrechter Amsterdam 18-09-2002 (De Jong Schouwenburg), JAR 2002, 232


Functiewijziging. Goed werkgeverschap. Wijziging arbeidsvoorwaarden.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 232.

De werknemer is sinds 19 december 1988 bij de werkgever, een hotel, in dienst als Hoofd Technische Dienst. In oktober 2001 is één van zijn medewerkers door de politie aangehouden op verdenking van diefstal. Uit de verklaring van deze medewerker is af te leiden dat hij een loper had gekopieerd die de werknemer buiten weten van de werkgever in zijn bezit had. De werkgever heeft de werknemer hiervoor een ernstige schriftelijke waarschuwing gegeven en heeft hem laten weten te overwegen hem uit zijn functie van afdelingshoofd te ontheffen. De werknemer heeft zich daarna ziek gemeld en is nog steeds ziek. De ziekte heeft inmiddels ook duidelijke fysieke oorzaken. De werkgever heeft de werknemer nadien meegedeeld hem niet meer te willen tewerkstellen in zijn functie van Hoofd Technische Dienst, maar, met behoud van salaris, wel als medewerker Technische Dienst. De werknemer vordert veroordeling van zijn werkgever om hem, zodra hij weer arbeidsgeschikt is, tewerk te stellen in zijn oude functie. De kantonrechter stelt voorop dat een arbeidsovereenkomst in beginsel een overeenkomst als een andere is, waarin niet door één der partijen tussentijds eenzijdig wijziging kan worden gebracht. Die hoofdregel lijdt slechts uitzondering indien de wettelijke verplichting van één der partijen om zich respectievelijk als een goed werkgever en werknemer te gedragen tot gevolg heeft dat hij in redelijkheid had behoren in te gaan op een voorstel van de wederpartij voor een wijziging. Degene die een wijziging wenst door te voeren, dient daartoe van tevoren een goed onderbouwd voorstel aan de wederpartij voor te leggen en moet, na diens standpunt te hebben vernomen, trachten om, waar dat in redelijkheid mogelijk is, aan de bezwaren van de wederpartij tegemoet te komen. In onderhavig geval heeft de werkgever dit traject niet gevolgd. Onmiskenbaar is voorts dat de degradatie van de werknemer, waardoor hij zijn leidinggevende positie verliest, diffamerend is. Dit leidt tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst, op grond waarvan de werkgever gehouden is de werknemer tewerk te stellen als Hoofd Technische Dienst, ongewijzigd voortduurt en dat de vordering van de werknemer toewijsbaar is.

Terug naar overzicht