Kantonrechter Amsterdam 22-04-1999, JAR 1999, 133 (Van der Meer)


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer. Schadeloosstelling (C=1,25, B inclusief bonus). Overgang onderneming. Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 133.

Een werkgever zegt de arbeidsovereenkomst op van een 49-jarige directeur (13 jaar in dienst, salaris excl. emolumenten NLG 256.375,-- bruto per jaar als vast deel en een in 1998 gegarandeerd bedrag van NLG 51.267,-- bruto per jaar als variabel deel) wegens de verkoop van het bedrijfsonderdeel te Singapore, waar de werknemer werkzaam is. Na het weigeren van een functie bij de verkrijger onder meer wegens onduidelijke arbeidsvoorwaarden, verzoekt de werknemer ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding van NLG 3.062.500,-- bruto. Volgens de werkgever, die heeft opgezegd met een opzegtermijn van zes maanden (per 1 juli 1999), is de weigering onbegrijpelijk en zou de werknemer eerst met hem willen afrekenen op basis van zijn dienstverband, alvorens bij de nieuwe werkgever in dienst te treden. De kantonrechter stelt vast dat het Nederlandse recht van toepassing is en dat in het midden kan blijven of het BBA al dan niet van toepassing is. Vast staat dat de functie van de werknemer komt te vervallen en dat dit voldoende grond vormt de arbeidsovereenkomst te ontbinden, te meer nu de werknemer daar zelf om verzoekt. Dat de werkgever reeds heeft opgezegd doet daar niet aan af. Met betrekking tot het verweer dat het verzoek om ontbinding op zo laat mogelijk tijdstip (in dit geval op een termijn van twee maanden) niet dadelijk of na korte tijd is, overweegt de kantonrechter dat gezien het belang van de werknemer, het lange dienstverband en de lange opzegtermijn, ontbinding per 30 juni 1999 na korte tijd is. Omdat onder normale omstandigheden ontbinding per 1 maart voor de hand had gelegen, dient bij de vaststelling van de vergoeding wel rekening gehouden te worden met de verlenging van het dienstverband. Gezien de ontbindingsgrond (verval van functie) ligt een vergoeding in de risicosfeer van de werkgever. Met betrekking tot de verwijtbaarheid overweegt de kantonrechter dat, hoewel het niet onbegrijpelijk is dat de werknemer niet in dienst is getreden bij de opvolger van de werkgever, het de werknemer wel te verwijten is dat hij zijn eventuele overgang mede afhankelijk heeft gesteld van het eerst afrekenen met zijn werkgever. Gezien de wederzijds verwijtbaarheid is een vergoeding op basis van de kantonrechtersformule met correctiefactor 1 redelijk. Aangezien de werkgever echter de verwachting heeft gewekt dat het dienstverband minstens vijf jaar zou duren en, gelet op de sociale gevolgen van een gedwongen vertrek, is een correctiefactor van 1,5 gerechtvaardigd. De verwachting dat de werknemer op korte termijn ander passend werk zal vinden, is reden de…

Terug naar overzicht