Kantonrechter Amsterdam 23-09-1999, JAR 1999, 257 (Ulrici)


Bepaalde tijd (Ragetlie-regel).

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 257.

Een vertegenwoordiger (acht jaar in dienst, salaris NLG 4.500,--) krijgt een nieuwe functie en komt met zijn werkgever een arbeidsovereenkomst voor de duur van een jaar overeen. De werkgever verlengt deze arbeidsovereenkomst met zes maanden, omdat na één jaar onvoldoende informatie aanwezig is om de werknemer te beoordelen. De werknemer wordt vervolgens arbeidsongeschikt. De werkgever betaalt het loon na het verstrijken van zes maanden niet door en verzoekt voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De werknemer vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werknemer stelt primair niet akkoord te zijn gegaan met de verlenging van zes maanden en dus is de arbeidsovereenkomst van rechtswege verlengd met een jaar en subsidiair dat er sprake is van een voortgezet dienstverband van de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, zodat op grond van art. 7:667 lid 4 BW opzegging nodig is. Volgens de werkgever is er geen sprake van stilzwijgende voortzetting van de tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd noch van voortzetting van de eerste arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van stilzwijgende voortzetting van de arbeidsoverkomst voor bepaalde tijd. Aannemelijk is dat de werknemer niet heeft geprotesteerd tegen de tijdelijke verlenging. Hij kan zich dan ook niet ter goeder trouw beroepen op het niet ondertekenen van de schriftelijke bevestiging van hetgeen is overeengekomen. Met betrekking tot de verlenging van de eerste arbeidsovereenkomst, overweegt de kantonrechter dat niet gebleken is dat er na de functiewijziging een dermate fundamenteel verschil in de functies was, dat van gelijkblijvende identiteit geen sprake kan zijn. Bovendien heeft de werkgever geen functieomschrijving overgelegd waaruit anders zou blijken. Dit betekent dat de verlengde arbeidsovereenkomst ex art. 7:667 lid 4 BW niet van rechtswege is geëindigd en dat de werkgever loon moet doorbetalen. De kantonrechter wijst de vordering toe vermeerderd met de wettelijke verhoging van 25% en de wettelijke rente.

Verder lezen
Terug naar overzicht