Kantonrechter Amsterdam 25-01-2001 (Brouwer), JAR 2002, 250


Arbeidstijd. Verjaring. Wederzijds goedvinden. Wijziging arbeidsvoorwaarden (vermindering arbeidsduur).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 250.

De werkneemster is op 14 mei 1978 bij de werkgever in dienst getreden als stewardess. Na een langdurige ziekteperiode in 1985/1987 heeft zij haar werkzaamheden per 1 mei 1987 voor 50% hervat en is zij per 1 juli 1987 weer voor 100% gaan werken. Per 1 november 1987 is zij teruggezakt tot 50% en per 1 mei 1995 is zij 66,75% gaan werken. Per 1 april 1997 is dit weer 50% geworden. Op 16 augustus 1998 heeft de werkneemster zich ziek gemeld. Bij brief van 26 augustus 1998 heeft de werkneemster ontslag gevraagd per 1 oktober 1998. De werkgever heeft daarmee ingestemd. Bij brief van 15 januari 1999 heeft de werkneemster verzocht om intrekking van haar ontslagaanvraag wegens psychische handelingsonbekwaamheid in de periode van ontslagname. De werkneemster is op 3 december 1998 gedwongen opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De werkneemster vordert een verklaring voor recht dat haar ontslagname en haar verzoek om vermindering van haar arbeidsduur per 1 april 1997 niet geldig zijn omdat deze hebben plaatsgevonden onder invloed van een psychische stoornis. De werkgever stelt te goeder trouw op de verklaringen van de werkneemster te zijn afgegaan. De kantonrechter oordeelt dat de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat na ruim twee jaar het op zich niet ongebruikelijke verzoek om werktijdvermindering van 66,75% naar 50%, dat door de werkgever is gehonoreerd en waaraan door partijen zonder enig bezwaar uitvoering is gegeven, met terugwerkende kracht zou worden herroepen. Dit kan echter niet zonder meer worden gesteld van het binnen vijf maanden na ontslagname gedane verzoek om herroeping daarvan. De werkgever kan de werkneemster niet aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst houden, indien dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Alvorens daarover te beslissen, gelast de kantonrechter een comparitie om nadere inlichtingen te verkrijgen en een schikking te beproeven.

Terug naar overzicht