Kantonrechter Amsterdam 26-05-2003 (Van Andel), JAR 2003, 264


Ongewenste intimiteiten. Ontbinding gewichtige redenen. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 264.

De werknemer, 38 jaar oud, is sinds 1 december 1997 bij de werkgever in dienst als verkoper tegen een salaris van laatstelijk € 2.486,86 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Op 8 april 2003 heeft de werkgever de werknemer geschorst. Vervolgens heeft hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De werkgever voert hiertoe aan dat hem diverse klachten en signalen van medewerkers hebben bereikt waaruit blijkt dat de werknemer zich met enige regelmaat schuldig heeft gemaakt aan seksuele intimidatie van medewerkers ten opzichte van wie hij als leidinggevende fungeerde. De werkneemsters hebben hun verklaringen op schrift gesteld. De werknemer betwist de inhoud van de verklaringen en stelt dat deze overtrokken zijn. De kantonrechter overweegt geen reden te hebben aan de juistheid van de verklaringen te twijfelen, gelet op de bewoordingen ervan, de door de werkgever gegeven toelichting erop en het feit dat de werknemer de verklaringen alleen in algemene bewoordingen heeft weersproken. Uit de verklaringen komt naar voren dat de werknemer als een rokkenjager en vrouwenversierder bekend stond en dat hij daar met regelmaat middels dubieuze seksistische zinspelingen uiting aan gaf tegenover vrouwelijke collega-verkopers van wie hij de leidinggevende was. Deze voelden zich daardoor gegeneerd, onvrij en benard. De kantonrechter is, gelet hierop, van mening dat de werknemer voor de werkgever niet te handhaven is als verkoper. Het gaat nu eenmaal niet aan dat een verkoper zich op een dergelijke wijze gedraagt, zeker niet tegenover ondergeschikten. De werknemer was bovendien al eens eerder gewaarschuwd voor zijn gedrag jegens een externe collega tijdens een dienstreis. De arbeidsovereenkomst moet daarom ontbonden worden. Aan de werknemer komt echter een beperkte vergoeding toe (anderhalf maandsalaris) omdat de zaak anders had kunnen lopen als de werkgever, bijvoorbeeld in de persoon van de bedrijfsleider, zijn oor wat beter te luisteren had gelegd en/of de betrokken collega's direct aan de bel hadden getrokken, waardoor de werknemer in een eerder stadium tot de orde geroepen had kunnen worden. Dan had wellicht voorkomen kunnen worden dat er, zoals nu, geen weg terug meer zou zijn.

Terug naar overzicht