Kantonrechter Amsterdam 27-02-2003 (Van der Hoek), JAR 2003, 167


Loon. Vakantiebijslag.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 167.

De werkneemster is op 26 juli 1999 voor onbepaalde tijd bij de werkgever in dienst getreden als Business Developer. Afgesproken is dat zij aanspraak kan maken op 8% vakantietoeslag en dat deze deel uit zal maken van haar maandsalaris. Daarnaast heeft de werkneemster recht op commissie afhankelijk van de door haar behaalde omzet. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is ontbonden door de kantonrechter. De werkneemster vordert dat de werkgever aan haar alsnog vakantiegeld betaalt over haar gewone salaris en over de commissie. Zij stelt daartoe dat de vakantietoeslag apart moet worden betaald en geen deel uit kan maken van het maandsalaris en dat de commissie moet worden aangemerkt als een loonbestanddeel. Deze bedroeg bovendien gemiddeld NLG 3.000,-- per maand, hetgeen een substantieel deel van haar loon was. De kantonrechter is van oordeel dat aan de werkneemster wel degelijk vakantiegeld is betaald over haar basissalaris. De afspraak dat de vakantietoeslag deel uitmaakt van het salaris is niet in strijd met dwingend recht, nu op grond van art. 17 lid 2 Wet op het minimumloon (WMM) een schriftelijke overeenkomst als de onderhavige is toegelaten. Met betrekking tot de commissie overweegt de kantonrechter dat art. 6 lid 1 WMM onder het loon verstaat de geldelijke inkomsten uit hoofde van de dienstbetrekking, met als hier relevante uitzondering winstuitkeringen en uitkeringen bij bijzondere gelegenheden. In onderhavige geval heeft de werkneemster in de eerste zes maanden van het dienstverband een vaste commissie ontvangen en daarna, op twee maanden na, in elke maand een omzetafhankelijke commissie. Deze bedroeg ongeveer NLG 3.000,-- per maand, hetgeen een substantieel deel van de inkomsten van de werkneemster was, gelet op het feit dat haar basissalaris aanvankelijk NLG 4.000,-- bedroeg en later NLG 6.114,--. De aanspraken op de commissie waren niet wisselend. Bij een bepaalde omzet verkreeg de werkneemster recht op een vastgelegd percentage aan commissie, zonder dat sprake was van een discretionaire bevoegdheid van de werkgever. Gezien deze omstandigheden valt de commissie onder het dwingendrechtelijke begrip loon als bedoeld in art. 6 WMM, zodat hierover vakantiegeld verschuldigd is.

Terug naar overzicht