Kantonrechter Amsterdam 27-08-2003 (Westhoff), Prg. 2003, 6136


Bewijs. Ontslag op staande voet.

Een verkoopster, werkzaam bij een Amsterdams filiaal van een modebedrijf (twee jaar in dienst, salaris € 1.412,05 bruto per maand), wordt op staande voet ontslagen wegens verduistering van een rok. De werkneemster vordert een verklaring voor recht dat het ontslag nietig is en doorbetaling van loon tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst is ontbonden, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging. De werkneemster stelt dat zij de rok heeft gekocht in het filiaal te Rotterdam met 30% personeelskorting. Zij heeft contant betaald en de aankoopbon weggegooid. De werkgever heeft geconstateerd dat in het filiaal Rotterdam een dergelijke rok met het bewuste artikelnummer niet is verkocht in de periode die de werkneemster noemt. Er is ook geen boeking met de personeelskorting geweest. De kantonrechter is van oordeel dat het in beginsel aan de werkgever is de dringende reden te bewijzen. Het onderzoek dat de werkgever heeft laten verrichten blijkt zeer zorgvuldig en volledig te zijn geweest en de kantonrechter vermoedt dat de werkneemster de rok niet in het filiaal te Rotterdam heeft gekocht. Daarbij komt dat de voorraad in Rotterdam nog even groot is, betaling met de personeelskortingskaart niet geregistreerd is en een rok in de voorraad van het Amsterdamse filiaal ontbreekt. Het is dan ook aan de werkneemster om tegenbewijs te leveren. De werkneemster heeft echter onvoldoende gesteld om haar met de bewijsopdracht te belasten. Het algemene bewijsaanbod dat geen concrete voor bewijs vatbare feiten noemt, wordt gepasseerd. De kantonrechter is op basis van het onderzoeksrapport van de werkgever van oordeel dat er sprake is van een dringende reden en wijst de vordering van de werkneemster af.

Terug naar overzicht