Kantonrechter Amsterdam 27-11-2001 (Ulrici), Prg. 2002, 5804


Bepaalde tijd. Loon. Ziekte.

Een kok met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van een jaar (salaris NLG 2.000,-- netto per maand) wordt twee maanden nadat de arbeidsovereenkomst stilzwijgend is verlengd arbeidsongeschikt. De werkgever staakt de loonbetalingen en keert geen vakantiegeld uit. De werknemer vordert bij voorlopige voorziening achterstallig salaris (conform de van toepassing zijnde CAO), vakantiebijslag en doorbetaling van loon, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werkgever stelt dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd en dat de werknemer daarna gedurende twee maanden als oproepkracht heeft gewerkt. Bovendien was de werknemer niet werkzaam als kok maar als hulp. De kantonrechter is van oordeel dat uit de loonspecificaties blijkt dat er na de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. De werkgever heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de werknemer zelf ontslag heeft genomen en dat hij niet arbeidsongeschikt zou zijn. Het feit dat de werkgever geen Arbo-arts (de deskundige bij uitstek) heeft ingeschakeld, komt voor zijn risico. Verrekening van de verschuldigde vakantietoeslag is niet aan de orde nu de arbeidsovereenkomst is blijven voortbestaan. Met betrekking tot het achterstallig salaris overweegt de kantonrechter dat de werkgever te weinig heeft gesteld over de door de werknemer verrichte werkzaamheden. Vooralsnog gaat de kantonrechter er dan ook vanuit dat de werknemer recht heeft op het salaris conform de CAO en hij wijst de vordering toe vermeerderd met de wettelijke verhoging van 25%.

Terug naar overzicht