Kantonrechter Amsterdam 28-05-1999, JAR 1999, 154 (Ulrici)


Arbeidstijd. Loon. Ziekte. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 154.

Een werkneemster bij een alarmcentrale werkt in ploegendienst gedurende vier nachten van tien uur per week. Zij wordt ziek en de werkgever betaalt conform de CAO het salaris (NLG 4.096,-- bruto per maand) en de onregelmatigheidstoeslag (NLG 1.191,16 bruto per maand) door. Als gevolg van een wijziging van de Arbeidstijdenwet, waardoor het aantal te werken nachtdiensten beperkt wordt tot maximaal twee van acht uur per week, voert de werkgever een nieuw rooster in. De werkgever vraagt de werkneemster of zij gezien de wetswijziging ook dagdiensten wil draaien. De werkneemster wil echter alleen maar nachtdiensten draaien, waardoor de werkgever haar arbeidsduur terugbrengt naar zestien uur per week en de doorbetaling van het loon in die zin aanpast. Als de Arbeidsinspectie de werkneemster laat weten dat zij nog drie jaar haar werk op basis van het oude regime mag voortzetten, vordert de werkneemster bij voorlopige voorziening vanaf 1 maart 1999 loon zoals dat voor die datum voor haar gold, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De werkneemster stelt dat de werkgever gehouden is het loon door te betalen zoals gold ten tijde van het arbeidsongeschikt worden, nu zij niet heeft ingestemd met vermindering van het aantal uren. Bovendien had de werkgever op grond van de Arbeidstijdenwet ontheffing kunnen vragen voor de werkneemster. De kantonrechter is van oordeel dat de wijziging van de Arbeidstijdenwet niet voor rekening van de werkgever komt. De werkneemster wilde zelf alleen in nachtdienst werken, waardoor urenreductie noodzakelijk werd. Bovendien kon de werkgever zijn organisatie zo inrichten dat binnen de grenzen van de wet het werk gedaan kon worden. Hij had dus niet de mogelijkheid om dispensatie voor de werkneemster te vragen. Omdat de Arbeidsinspectie het oude werkschema van de werkneemster zal gedogen voor een periode van drie jaar, is de werkgever bereid zijn rooster weer te wijzigen en vanaf datum kennisname van het besluit van de Arbeidsinspectie het oude loon door te betalen. De kantonrechter overweegt dat de vordering alleen betreft de periode tussen 2 april 1999 en 12 mei 1999 en niet is komen vast te staan dat werkgever gehouden was over die periode loon te betalen. De kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht