Kantonrechter Amsterdam 29-12-1999 (van Andel), Prg. 2000, 5451


Bedrijfsongeval (zeevarende). Competentie.

Een stuurman overkomt bij het vastzetten van losgeraakte lading een bedrijfsongeval ten gevolge waarvan hij een dwarslaesie oploopt. De werknemer acht de scheepvaartmaatschappij aansprakelijk voor de schade en vordert een schadevergoeding op grond van wanprestatie respectievelijk onrechtmatige daad. De kapitein en de scheepvaartinspectie hebben een rapport respectievelijk een proces-verbaal opgemaakt van het ongeval. De kantonrechter stelt voorop dat art. 7:685 BW krachtens art. 450b WvK niet van toepassing is op de arbeidsovereenkomst van een stuurman. De vordering wegens wanprestatie moet dan ook zo worden uitgelegd dat de werknemer de werkgever verwijt zich niet als goed werkgever te hebben gedragen. De kantonrechter is van oordeel dat de werknemer niet aannemelijk heeft gemaakt dat het losraken van de lading een gevolg is van het feit dat de lading niet goed was vastgezet. Bovendien was de werknemer in zijn hoedanigheid van stuurman daarvoor zelf verantwoordelijk. De door de werknemer aangehaalde wetsartikelen, onder andere in de Schepenwet, het Schepenbesluit, de Arbo-wet en de Zeevaartbemanningswet bevatten geen concrete veiligheidsvoorschriften met betrekking tot losgeraakte lading op volle zee. De werkgever heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat het gebruik van veiligheidsgordels en vangnetten niet of nauwelijks uitvoerbaar en volstrekt ongebruikelijk is. Hoewel de oorzaak van het ongeval niet met zekerheid kan worden vastgesteld, vermoedt de kantonrechter dat het ongeval het gevolg was van een misstap van de werknemer en niet het gevolg van een tekortschieten van de werkgever. De kantonrechter wijst de vordering op grond van wanprestatie af. Met betrekking tot de vordering op grond van onrechtmatige daad verklaart de kantonrechter zich onbevoegd en verwijst het geding naar de rechtbank.

Terug naar overzicht