Kantonrechter Amsterdam 31-08-2000, 07-06-2001 (Marres), JAR 2001, 132


Kennelijk onredelijk ontslag. Faillissement.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 132.

Op 13 januari 1998 is Mode-Import Van Cleef op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard. Bij brief van 15 januari 1998 heeft de curator aan de werknemer de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangezegd op de voet van art. 40 Fw. Daarbij is geen ontslagvergoeding toegekend. De werknemer stelt dat het ontslag kennelijk onredelijk is, waarbij hij verwijst naar de vermogenstoestand van de boedel en naar onderhandelingen die zijn gemachtigden kort voor de faillietverklaring met de toenmalige vereffenaars van hebben gevoerd over een sociaal plan. De kantonrechter overweegt bij tussenvonnis dat een ontslagverlening ex art. 40 Fw onder omstandigheden ook kennelijk onredelijk kan zijn. Om te beoordelen of dat in dit geval ook zo is, dient evenwel allereerst de uitkomst van een andere procedure over het mogelijk tot stand zijn gekomen van een sociaal plan afgewacht worden. In het eindvonnis overweegt de kantonrechter dat inmiddels is gebleken dat geen Sociaal plan tot stand is gekomen. Voor het overige stelt de rechter vast dat, wanneer een curator na zijn aantreden een boedel met een positief saldo aantreft, door hem ex art. 40 Fw collectief verleende ontslagen kennelijk onredelijk kunnen zijn indien hij daarbij niet een passende vergoeding aanbiedt. In het onderhavige geval is weliswaar een aanzienlijk bedrag aan vennootschapsbelasting teruggegeven, maar gelet op de overige schulden, vertoont het uiteindelijke saldo van de boedel een tekort van NLG 500.000,--. Aldus had de curator geen ruimte om de werknemers een vergoeding toe te zeggen zonder de belangen van de bestaande schuldeisers te benadelen. Daarom is het verleende ontslag niet kennelijk onredelijk

Terug naar overzicht