Kantonrechter Apeldoorn 16-04-2003 (Buijs), JAR 2003, 113


Bedrijfsongeval.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 113.

De werkneemster is op 1 april 1992 voor de werkgever gaan werken, eerst als uitzendkracht en vanaf 1 augustus 1992 in vaste dienst. Aanvankelijk werkte zij als secretaresse van de technisch directeur/administratief medewerkster bedrijfsbureau. Vanaf april 1995 werkte zij als planningsassistent. Haar werkzaamheden bestonden voornamelijk uit beeldschermwerk. Zij werkte 36 uur per week; incidenteel was sprake van overwerk. In april 1997 is de werkneemster uitgevallen met RSI-klachten. Per 22 april 1998 is aan haar een WAO-uitkering toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is per 16 juli 1999 door de kantonrechter ontbonden. De werkneemster heeft haar werkgever op grond van art. 7:658 BW aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van haar RSI-klachten. De kantonrechter stelt vast dat ten aanzien van de werkneemster de diagnose "epicondylitus medialus" is gesteld. Deze kan als één van de verschijningsvormen van RSI worden beschouwd. Uit de overgelegde rapportages blijkt dat de werkneemster de klachten heeft ontwikkeld in de jaren waarin zij voor de werkgever veelal beeldschermwerk verrichtte. Gesteld noch gebleken is dat de werkneemster in die jaren andere activiteiten heeft verricht die de klachten veroorzaakt zouden kunnen hebben. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat de klachten zijn ontstaan in de uitoefening van de werkzaamheden. De kantonrechter is voorts van oordeel dat de werkgever zijn zorgplicht ten aanzien van de gezondheid van de werkneemster niet is nagekomen. De werkgever heeft aangevoerd dat de werkneemster zelf klachten naar voren had kunnen brengen tijdens het werkoverleg. De kantonrechter oordeelt evenwel dat de zorgplicht van de werkgever een zelfstandige is; een piepsysteem volstaat niet. De werkgever heeft wel aandacht besteed aan de inrichting van de beeldschermwerkplekken, maar te weinig en te laat. In ieder geval staat vast dat niet is voldaan aan art. 4 Besluit Beeldschermwerk/art. 5.10 Arbo-besluit. Niet voldoende is dat werknemers worden geïnstrueerd om hun beeldschermwerk af te wisselen met andersoortige arbeid en/of rusttijd. De werkgever is gehouden erop toe te zien dat dit ook effectief gebeurt. Het verweer dat de werkneemster zelf niet achter de PC was weg te slaan, dient verworpen te worden. De werkgever had de – kennelijk té – enthousiaste inzet van de werkneemster bij het werk, in haar belang, behoren te temperen.

Terug naar overzicht