Kantonrechter Arnhem 08-11-1999, JAR 1999, 261 (Croll)


Opzegtermijn.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 261.

Een werkgever zegt de arbeidsovereenkomst van een facility manager (twee jaar in dienst, salaris NLG 4.200,-- per maand) met toestemming van de RDA op met inachtneming van een opzegtermijn van één maand. De werkneemster stelt dat het ontslag onregelmatig is omdat de werkgever een onjuiste opzegtermijn heeft gehanteerd. Volgens de arbeidsovereenkomst geldt in afwijking van de CAO voor de werkneemster een opzegtermijn van drie maanden en op grond van art. 7:672 BW geldt voor de werkgever het dubbele. Omdat het ontslag is gegeven met toestemming van de RDA, mag hiervan één maand worden afgetrokken. De opzegtermijn bedraagt dus vijf maanden en de werkneemster vordert betaling van vier maanden loon. De werkgever stelt dat de opzegtermijn in de arbeidsovereenkomst in negatieve zin van de CAO afwijkt en dus nietig is. Daarmee komt de verdubbeling voor de werkgever te vervallen en geldt de wettelijke opzegtermijn. Deze komt gezien de duur van de arbeidsovereenkomst neer op één maand. De kantonrechter is het met de werkgever eens. Een langere, in negatieve zin van de CAO afwijkende opzegtermijn zou een werknemer die weg wil eraan kunnen houden tegen zijn zin voor de werkgever te blijven werken. Het feit dat de werkgever ook een langere opzegtermijn in acht moet nemen, doet hier niet aan af. De werkgever heeft dus een juiste opzegtermijn gehanteerd en de kantonrechter wijst de vordering af.

Terug naar overzicht