Kantonrechter Arnhem 26-05-2003 (Van Son), JAR 2003, 171


Schorsing.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 171.

De werkneemster is op 1 september 2002 bij de werkgever in dienst getreden als medewerkster verkoop binnendienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van zes maanden. Op 14 januari 2003 heeft een functioneringsgesprek plaatsgevonden, waarvan een schriftelijk verslag is opgemaakt. De arbeidsovereenkomst is vervolgens voor zes maanden, tot 31 augustus 2003, verlengd. De werkgever heeft die verlenging bevestigd bij brief van 12 februari 2003. Op 24 maart 2003 is de werkneemster door de directeur van de werkgever op non-actief gesteld met de motivering dat "het zo niet langer gaat". De werkneemster vordert thans in rechte opheffing van de op non-actiefstelling. De kantonrechter stelt voorop dat op non-actiefstelling een maatregel is die geen wettelijke basis heeft en die in de praktijk slechts mogelijk is als de werkgever daar zwaarwegende redenen voor heeft. In onderhavig geval heeft de werkgever de reden van de op non-actiefstelling nimmer schriftelijk aan de werkneemster meegedeeld. Eerst tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de redenen die de werkgever daarvoor aanvoert voornamelijk zijn gelegen in de persoon van de werkneemster en de wijze waarop zij volgens de werkgever met leidinggevenden en collega's omgaat. Niet aannemelijk is geworden dat de werkneemster zodanige fouten maakt dat ernstige schade zou worden berokkend aan de werkgever als de werkneemster tot het werk zou moeten worden toegelaten. De werkgever heeft op 14 mei 2003 een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Dat er in afwachting van een mogelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen andere oplossing was dan de op non-actiefstelling is niet gebleken. Bij afweging van de belangen van beide partijen dient het belang van de werkneemster zwaarder te wegen, zodat de werkgever haar moet toelaten tot de bedongen werkzaamheden.

Terug naar overzicht