Kantonrechter Beetsterzwaag 12-06-2001 (Schulting), Prg. 2001, 5714, JAR 2001, 145


Bedrijfsongeval. Goed werkgeverschap.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2001, 145.

Een werkneemster heeft knieletsel opgelopen door een trap van een zevenjarige bewoonster van de instelling voor zwakzinnigenzorg waar zij werkte. Zij stelt de werkgever hiervoor aansprakelijk primair uit hoofde van art. 7:658 BW en subsidiair op grond van goed werkgeverschap. Daartoe voert zij aan dat de werkgever haar onvoldoende heeft ingewerkt terwijl zij op een moeilijke afdeling moest werken en dat zij bij de werkzaamheden waarbij zij het letsel opliep (in bad doen van bewoners) geen ondersteuning had van een collega. Naar het oordeel van de kantonrechter is de werkgever niet tekort geschoten in de nakoming van zijn zorgplicht ex art. 7:658 BW. Er was een veiligheidsbeleid, de werkneemster is door ervaren krachten ingewerkt, zij is gewezen op de risico's van het gedrag van de bewuste bewoonster en haar zijn aanwijzingen gegeven om daarmee om te gaan. Op de afdeling zelf heeft de werkneemster niet alleen gewerkt. Wellicht was het letsel voorkomen als de wasbeurt door twee werknemers was verricht, maar de werkgever heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen aanleiding bestond om daartoe te besluiten. Het feit dat er geen aansprakelijkheid ex art. 7:658 BW kan worden aangenomen, laat naar het oordeel van de kantonrechter evenwel onverlet dat een werkgever uit hoofde van goed werkgeverschap gehouden kan zijn de door een werknemer geleden schade te vergoeden. In het onderhavige geval doet deze situatie zich voor. Het werken met geestelijke gehandicapte mensen bergt een meer dan gemiddeld risico van onvoorspelbaar en schadeveroorzakend gedrag in zich waartegen ook voorzorgsmaatregelen niet geheel kunnen beschermen. Eventuele schade die daardoor ontstaat, dient op grond van de eisen van goed werkgeverschap voor risico van de werkgever te blijven

Terug naar overzicht