Kantonrechter Bergen op Zoom 03-04-2002 (Minnaar), Prg. 2002, 5862, JAR 2002, 85


Bepaalde tijd. CAO (Afwijking bij). Proeftijd.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 85.

De werkneemster is op 17 april 2001 voor de duur van een jaar bij de werkgever in dienst getreden. Partijen zijn een proeftijd van twee maanden overeengekomen. Op 21 mei 2001 heeft de werkneemster zich ziek gemeld en bij brief van 5 juni 2001 heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst per 6 juni 2001 beëindigd. Op de arbeidsovereenkomst is de (nawerking van de) CAO voor de Optiekbedrijven van toepassing. Art. 6 van deze CAO luidt: "(..) ongeacht de vraag of de arbeidsovereenkomst schriftelijk is vastgelegd, kan een proeftijd van maximaal twee maanden schriftelijk worden overeengekomen". De werkneemster stelt dat het proeftijdbeding van twee maanden nietig is omdat op grond van de wet bij een overeenkomst voor de duur van één jaar een proeftijd van maximaal één maand overeengekomen kan worden. De bepaling in de CAO geeft naar haar mening slechts een nadere uitwerking van het schriftelijkheidsvereiste. De werkgever meent dat wel rechtsgeldig een proeftijd van twee maanden is overeengekomen. De kantonrechter oordeelt dat in de wet is bepaald dat bij CAO kan worden afgeweken van het voorschrift dat bij arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd van ten hoogste twee jaren een proeftijd van ten hoogste één maand overeengekomen kan worden. Niet is bepaald hoe de afwijking in de CAO dient te geschieden en evenmin is aangegeven dat expliciet vermeld moet worden dat afgeweken wordt. Nu art. 6 van de toepasselijke CAO duidelijk en ondubbelzinnig de mogelijkheid biedt om een proeftijd van maximaal twee maanden overeen te komen en deze proeftijd ook in de arbeidsovereenkomst tussen partijen is vastgelegd, kan dit tot geen andere conclusie leiden dan dat tussen partijen rechtsgeldig een proeftijd van twee maanden is overeengekomen. De beëindiging door de werkgever is derhalve rechtsgeldig.

Verder lezen
Terug naar overzicht