Kantonrechter Breda 09-02-2000 (Koopman), JAR 2000, 67


Gratificatie (gedeeltelijke dertiende maand bij eerdere uitdiensttreding).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 67.

Een vertegenwoordiger beëindigt zijn arbeidsovereenkomst na een dienstverband van bijna een jaar op 1 december 1998. Volgens zijn arbeidsovereenkomst vindt in de maand december betaling plaats van een extra dertiende maand ad NLG 5.000,-- bruto. De werknemer meent, nu hij in december niet meer in dienst is, recht te hebben op een evenredig deel van de dertiende maand en vordert betaling van 11/12 deel vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. De kantonrechter is van oordeel dat volgens de arbeidsovereenkomst een werknemer niet in december van enig jaar in dienst moet zijn om voor de dertiende maand in aanmerking te komen. Een dertiende maand is niet anders dan uitgesteld loon. Dit betekent dat de uitkering naar evenredigheid wordt opgebouwd. De werknemer maakt dan ook terecht aanspraak op 11/12 deel van de dertiende maand. De kantonrechter veroordeelt de werkgever tot betaling van NLG 4.583,33 bruto vermeerderd met 10% wettelijke verhoging en de wettelijke rente en tot betaling van 15% buitengerechtelijke incassokosten.

Terug naar overzicht