Kantonrechter Breda 12-07-2000 (Spreuwenberg), JAR 2000, 197


Kennelijk onredelijk ontslag. Schadeloosstelling.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 197.

Een 44-jarige meubelmaker, 24 jaar in dienst, salaris NLG 4.422,-- bruto per maand wordt met ontslagvergunning opgezegd wegens reorganisatie. De werkgever biedt aan een afvloeiingsregeling van 22 maanden suppletie van 17,5% op een uitkering of lager salaris elders. De werknemer vindt deze voorziening onvoldoende en vordert wegens kennelijk onredelijk ontslag een schadevergoeding berekend op basis van de kantonrechtersformule. De kantonrechter overweegt onder verwijzing naar Rechtbank Breda 27-01-1998 (JAR 1999, 143, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999 blz. 177) dat de voor de ontbindingsprocedure bedoelde kantonrechtersformule geen maatstaf is in een kennelijk onredelijk ontslagprocedure. Ook de wetgever heeft bij de invoering van titel 10 boek 7 BW geen aanleiding gezien het onderscheid tussen "schadevergoeding" in art. 7:681 BW en "vergoeding" in art. 7:685 BW op te heffen. De kantonrechter oordeelt het ontslag echter kennelijk onredelijk omdat de aangeboden afvloeiingsregeling te karig wordt geacht en wijst terzake toe 24 maanden suppletie tot 100% van het laatst genoten loon.

Terug naar overzicht