Kantonrechter Breda 16-11-1999, JAR 1999, 262 (Bouwen)


Gezagsverhouding. Loon.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 262.

Een verkoopster en haar werkgever beëindigen de arbeidsovereenkomst na een dienstverband van vier jaar (salaris NLG 37.566,-- bruto per jaar) en sluiten een exploitatieovereenkomst, die steeds wordt voortgezet voor een jaar. Krachtens deze overeenkomst zijn de exploitante verregaande richtlijnen met betrekking tot de bedrijfsvoering opgelegd, gelden een geheimhoudings- en concurrentiebeding en strakke voorschriften met betrekking tot de openingstijden, ziekmelding, vakantieaanvragen enzovoorts. De exploitatievergoeding (gemiddeld NLG 70.000,-- per jaar) bedraagt een percentage van de omzet en wordt als winst uit onderneming opgegeven. Daarnaast is de exploitante vrij zich te laten vervangen en is zij opgetreden in de ontbindingsprocedure tegen een bij haar werkzame verkoopster. Na opzegging van de exploitatieovereenkomst, stelt de exploitante dat er sprake is van een voortgezette arbeidsovereenkomst en vordert bij voorlopige voorziening doorbetaling van loon. De kantonrechter is van oordeel dat partijen bij het sluiten van de exploitatieovereenkomst niet de intentie hadden een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Gelet op de omstandigheden, waaronder de vrijheid zich te laten vervangen en het feit dat de exploitatievergoeding geen loon in de zin van art. 7:610 BW is, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst de vordering af.

Terug naar overzicht