Kantonrechter Breda 23-06-2000 (Van Dijke), JAR 2000, 168


Ontbinding gewichtige redenen verzoek werknemer (in opzegtermijn). Ziekte. Schadeloosstelling (C=1,5).

Zie voor de complete uitspraak JAR 2000, 168.

Een werknemer in een transformatorenfabriek, 44 jaar oud, afgerond 21 jaar in dienst, salaris NLG 4.214,64 bruto per maand wordt na twee jaar ziekte met ontslagvergunning opgezegd en vraagt in de opzegtermijn zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Het beroep van de werkgever op niet-ontvankelijkheid wordt door de kantonrechter verworpen omdat partijen te allen tijde bevoegd zijn de kantonrechter ontbinding te verzoeken en het belang voor de werknemer daarbij is gegeven doordat de werkgever geen enkele afvloeiingsregeling heeft aangeboden. De kantonrechter acht niet uitgesloten dat de ziekte mogelijk is veroorzaakt door de slechte werkomstandigheden (toxische stoffen) bij de werkgever, maar stelt voorop dat volgens het arrest van de Hoge Raad van 25-06-1999 (Driessen/Boulidam, RvdW 1999, 107, JAR 1999, 149, NJ 1999, 601, Rechtspraakoverzicht Arbeidsrecht 1999, blz. 171) een causaal verband niet behoeft te worden aangetoond. De werknemer heeft de werkgever herhaaldelijk gewezen op de slechte werkomstandigheden en rapporten van de arbeidsinspectie overgelegd, waaruit blijkt dat de werknemers worden blootgesteld aan te hoge concentraties oplosmiddelen. Om die redenen kent de kantonrechter bij ontbinding toe een vergoeding van NLG 136.000,-- bruto op basis van correctiefactor C=1,5. Voor toekenning van een hogere vergoeding wordt geen aanleiding gevonden in verband met de bestaande onzekerheden over het daadwerkelijke verband tussen de ziekte en de arbeidsomstandigheden.

Terug naar overzicht