Kantonrechter Brielle 30-09-2003 (Nouwt), JAR 2003, 267


Aansprakelijkheid werkgever. Bedrijfsongeval. Kennelijk onredelijk ontslag. Verjaring. Ziekte.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2003, 267.

De werkneemster is van 1 mei 1988 tot 31 maart 2001 bij de werkgever in dienst geweest als verpleegkundige. Ten tijde van het aangaan van de arbeidsovereenkomst was de werkneemster voor 45-55% arbeidsongeschikt. Haar arbeidsduur bedroeg vijf uur per dag. In 1996 zijn de werkzaamheden van de werkneemster verzwaard. Zij ontving daarvoor een extra toeslag. In oktober 1998 is de werkneemster volledig arbeidsongeschikt geraakt als gevolg van een knieblessure. Zij heeft getracht haar werk op arbeidstherapeutische basis te hervatten, doch dit is niet gelukt. De werkgever heeft haar vervolgens na twee jaar ziekte ontslagen. De werkneemster stelt dat dit ontslag kennelijk onredelijk is. Voorts vordert zij schadevergoeding op grond van art. 7:658 BW dan wel art. 7:611 BW omdat zij arbeidsongeschikt is geworden doordat zij onder een te hoge werkdruk heeft moeten werken. De kantonrechter stelt vast dat de vordering inzake kennelijk onredelijk ontslag verjaard is, nu de dagvaarding is uitgebracht na afloop van de termijn waarmee de vordering gestuit was. Met betrekking tot de vordering tot schadevergoeding overweegt de kantonrechter dat art. 7:658 BW in deze niet van toepassing is omdat dit artikel betrekking heeft op de veiligheid van de werkomgeving van de werknemer en niet op de zorgplicht van de werkgever ten aanzien van de werkbelasting van de werknemer. Wel is een werkgever op grond van art. 7:611 BW gehouden om een werknemer niet gedurende een te lange tijd onder te grote werkdruk te laten werken, zodanig dat dit tot blijvende arbeidsongeschiktheid van de werknemer leidt. In onderhavig geval heeft de werkgever de werkneemster in een stressvolle periode gevraagd om een hogere arbeidsprestatie te leveren dan van haar verwacht mocht worden op grond van de arbeidsovereenkomst. De werkneemster heeft daarvoor weliswaar een toeslag ontvangen, maar daardoor nam de fysieke en emotionele belasting niet af. Nu de werkgever wist dat de werkneemster reeds lichamelijke klachten had, en ook wist of had moeten weten dat deze zouden verergeren bij stress, althans in psychische klachten zouden kunnen worden omgezet, had hij daarmee rekening moeten houden met het opleggen van een extra belasting aan de werkneemster. Daar komt bij dat de werkgever zich onvoldoende heeft ingespannen voor de reïntegratie van de werkneemster. Gezien deze omstandigheden en het inkomen dat de werkneemster thans ontvangt, acht de kantonrechter een schadevergoeding van € 10.000,-- bruto billijk.

Terug naar overzicht