Kantonrechter Delft 07-03-2002 (Van der Windt), JAR 2002, 87


Buitenlandse werknemer. Competentie. Loon (optieplan met moedermaatschappij). Toepasselijk recht.

Zie voor de complete uitspraak JAR 2002, 87.

De werknemer, van Duitse nationaliteit, is met ingang van 12 januari 1998 bij de werkgever, een Nederlandse vennootschap, in dienst getreden als (niet-statutair) directeur. In een appendix bij de arbeidsovereenkomst is een "Option Plan" voor de werknemer vastgelegd. Deze appendix is ondertekend namens de moedermaatschappij van de werkgever. De werknemer heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd bij e-mail van 13 maart 2000. Thans vordert hij nog betaling van een restant aan salaris, vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, vakantiegeld, betaling van een variabel gedeelte van zijn salaris, en afgifte van 18.000 aandelen volgens het bij de arbeidsovereenkomst behorende "Option Plan". De werkgever betwist de vorderingen. De kantonrechter gaat, nu de werknemer stelt dat Nederlands recht van toepassing is en de werkgever dit (formeel) niet heeft betwist, uit van de toepasselijkheid van dit recht. De kantonrechter acht zich voorts bevoegd van de vorderingen van de werknemer kennis te nemen. De kantonrechter wijst de vorderingen ter zake van achterstallig salaris en niet-opgenomen vakantiedagen toe en de vorderingen met betrekking tot vakantiegeld (de werknemer zou geen werknemer in de zin van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) zijn) en de variabele beloning (reeds verrekend met opties) af. Ten aanzien van de opties overweegt de rechter dat het "Option Plan" met de moedermaatschappij van de werkgever is overeengekomen. Het is daarom deze maatschappij die dient te worden aangesproken over de nakoming van het "Option Plan". Daaraan doet niet af dat het plan een onderdeel is van de totale arbeidsvoorwaarden van de werknemer. De werknemer is daarom niet-ontvankelijk in zijn vordering ten aanzien van de afgifte van aandelen.

Verder lezen
Terug naar overzicht