Kantonrechter Delft 08-10-1998, JAR 1999, 3 (Sarlemijn)


CAO. VUT.

Zie voor de complete uitspraak JAR 1999, 3.

Een werkgeversvereniging (HBS), die werkgevers in het darmbedrijf vertegenwoordigt, is lid van de centrale werkgeversorganisatie voor de vleesgroothandel (COV). In de statuten van COV is bepaald dat de door haar af te sluiten CAO's HBS niet binden. Als COV de minister verzoekt de door haar afgesloten en niet door HBS ondertekende VUT-CAO algemeen verbindend te verklaren, maakt HBS bezwaar en verzoekt uitsluiting van haar leden (527 werkgevers tegen 100 van COV) op grond van het meerderheidsvereiste. De minister wijst het verzoek af en verklaart de CAO algemeen verbindend. HBS en een van haar leden vorderen een verklaring voor recht dat de CAO onverbindend is c.q. jegens haar leden buiten toepassing blijft. HBS stelt dat het darmbedrijf een afzonderlijke bedrijfstak is en dat partijen bij de VUT-CAO deze bedrijfstak nauwelijks vertegenwoordigen. Ook al zou het darmbedrijf als een onderdeel van de door COV vertegenwoordigde bedrijfstak moeten worden aangemerkt, dan nog had HBS van de algemeen verbindendverklaring moeten worden uitgezonderd omdat niet aan het vereiste van een belangrijke meerderheid wordt voldaan. Bovendien is de VUT-CAO niet rechtsgeldig tot stand gekomen als gevolg van strijd met de statuten van COV. De kantonrechter verwerpt dat laatste verweer omdat volgens de statuten COV weliswaar niet namens HBS CAO's afsluit, maar wel bevoegd is CAO's aan te gaan die mede op een darmbedrijf van toepassing zijn. HBS heeft onvoldoende gesteld op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het darmbedrijf een afzonderlijke bedrijfstak is en dat de minister de representativiteit had moeten beoordelen zonder de ondernemingen in het darmbedrijf mee te tellen. Nu de CAO van toepassing was op 57% van de werkgevers en werknemers in de bedrijfstak, mocht de minister deze CAO in redelijkheid algemeen verbindend verklaren. De kantonrechter wijst de vorderingen af.

Terug naar overzicht